Conclusie
3.Het principale cassatieberoep
Ving Sverige [13] van het HvJEU houdt de passage “en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen” echter geen beperking in (rov. 30), en is reeds sprake (rov. 33):
nietdat de reclameboodschap, die is aan te merken als een uitnodiging tot aankoop, steeds zelf alle essentiële informatie moet bevatten. [15] Art. 7 lid 4 Richtlijn Pro (art. 6:193e BW) moet immers worden gelezen in het licht van art. 7 lid Pro 1 (art. 6:193d lid 1 BW), welke bepaling in art. 7 lid Pro 3 (art. 6:193d lid 4 BW) nader wordt uitgewerkt. Art. 6:193d lid 4 BW bepaalt dat bij de beoordeling of essentiële informatie is weggelaten of verborgen is gehouden de feitelijke context, de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen, in aanmerking worden genomen.
Ving Sverige:
subonderdeel 1.c(op p. 14, slot van de eerste alinea) en
subonderdeel 2.c(op p. 22, laatste twee alinea’s van klacht 2) ten onrechte veronderstellen dat rov. 3.5 ook ziet op de informatie die aan de spaarders werd toegestuurd
nadatzij reeds op het aanbod van ING waren ingegaan. In zoverre falen deze klachten bij gebrek aan feitelijke grondslag.
klacht 4berust op deze onjuiste lezing van het arrest. Die klacht veronderstelt dat volgens het hof een misleidende omissie in het door ING gebruikte reclamemateriaal zijn misleidende karakter verliest door (wel voldoende) informatie te verstrekken op een later tijdstip, in het bijzonder nadat de overeenkomst reeds tot stand gekomen is. Dat heeft het hof in rov. 3.6, tweede alinea, echter niet geoordeeld. In die alinea gaat het niet over het misleidende karakter van een mededeling voor de gemiddelde consument, maar over de vraag of een mededeling enig effect heeft gehad op het economische gedrag van de gemiddelde consument.
klacht 4, wat daar verder van zij. Klacht 4 faalt ook om deze reden.
klacht 1het oordeel in de eerste alinea van rov. 3.5.
subonderdeel 1.bis rov. 3.5 onbegrijpelijk, nu het hof geen feitelijke grondslag noemt voor zijn overweging dat het hanteren van een vast rentepercentage niet voor de hand zou liggen. ING had gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat de rente op een spaarrekening variabel is tenzij anders vermeld, maar de Stichting had die stelling betwist. Het hof schendt ook art. 24 Rv Pro, omdat voor het uitgangspunt in de eerste alinea van rov. 3.5 geen feitelijke grondslag in de gedingstukken is te vinden.
subonderdeel 2.b(op p. 20) wordt nog aangevoerd dat iemand die niet in staat is een aanbod dat te mooi is om waar te zijn te herkennen, bezwaarlijk als een gemiddelde consument kan worden aangemerkt. Toch dient die groep volgens het hof de voorwaarden van de aanbieding te lezen alvorens tot een beslissing te komen. Daar waar het hof heeft overwogen dat de consument (die niet in staat is een aanbod dat te mooi is om waar te zijn, te herkennen) een nadere onderzoekplicht heeft, is het hof niet uitgegaan van de gemiddelde consument. Van juist deze groep personen – die onvermogend is in te zien dat het aanbod van ING te mooi is om waar te zijn – mag niet gevraagd worden nader onderzoek te doen.
subonderdeel 2.amoest het hof daarom uitgaan van de feitelijk vaststelling dat door ING onvolledige dan wel onvoldoende duidelijke informatie was verstrekt nu dit door ING in appel onvoldoende was betwist, en moest het hof vervolgens tot de conclusie komen dat sprake was van een misleidende omissie.
subonderdeel 2.c(eerste alinea op p. 20) klaagt daarover.
nadatzij reeds op het aanbod van ING waren ingegaan en zie bij 3.25 voor het betoog dat een aantal spaarders zich misleid voelt.
subonderdeel 3.a, kort gezegd, (i) dat het hof verzuimt de toets aan te leggen van art. 7 lid 1 Richtlijn Pro en ten onrechte geen oog heeft gehad voor het gebruik van het woord "tariefswijzigingen" in de Folder, dat niet (althans niet duidelijk) ziet op het rentepercentage van 4% zoals dat werd beloofd (op p. 23, eerste alinea); (ii) en voorts dat het hof niet toetst of het wijzigingsvoorbehoud de consument op het verkeerde been
kanzetten en niet vermeldt op grond waarvan, anders dan een kennelijk puur taalkundige uitleg van de Folder, hij tot die conclusie is gekomen (op p. 24, laatste alinea).
subonderdeel 3.aaan dat het hof een onderzoekplicht voor de consument introduceert die niet is te relateren aan de Richtlijn (art. 7) noch aan de Nederlandse wet (art. 6:1693b-e BW).