Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
statutair bestuurderwas van [A]. De onderdelen worden tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in de genoemde rechtsoverwegingen geoordeeld dat de stelling van [eiser] dat hij
feitelijkniet fungeerde als bestuurder van [A] verworpen wordt omdat die stelling zich niet verdraagt met hetgeen hij verder in deze procedure naar voren heeft gebracht, alsmede dat ongegrond is de stelling van [eiser] dat niet hij maar uitsluitend [verweerder 1] feitelijk fungeerde als bestuurder van [A]. Dat oordeel van het hof wordt met onderdelen 2 t/m 8 niet op voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze bestreden. Ook voor het overige bevatten de onderdelen geen klachten die tot cassatie kunnen leiden.
feitelijkbestuurder, dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De klachten van het onderdeel zijn ongegrond. Het genoemde oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen en betogen van dit onderdeel. Het onderdeel geeft op dit punt ook geen aanleiding tot het geven van een nadere toelichting.