ECLI:NL:HR:2014:2800

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
13/04899
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 2:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement ondanks klachten over rol bestuurder

In deze zaak stond de vraag centraal of de bestuurder aansprakelijk kon worden gehouden voor het faillissement van een vennootschap. De eiser stelde klachten over de rol van de bestuurder, maar de Hoge Raad benadrukte dat de eiser de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat het handelen van de bestuurder een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

De zaak betrof een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de aansprakelijkheid van de bestuurder was beoordeeld. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof, en stelt vast dat de klachten van de eiser niet leiden tot cassatie. Daarbij speelt ook het wettelijke vermoeden bij schending van administratie- en publicatieplicht een rol.

De Hoge Raad wijst het beroep af zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leiden. De eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn begroot aan de zijde van de curator.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

26 september 2014
Eerste Kamer
nr. 13/04899
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. Fontijn,
t e g e n
Mr. Franciscus Jozef Hubert SOMERS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Alphen aan de Rijn,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de curator.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 283603/HA ZA 07-0808 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juni 2007, 27 mei 2009 en 27 januari 2010;
b. het arrest in de zaak 200.068.275/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de curator is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping, afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging gevende.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 juli 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
26 september 2014.