Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1klaagt het middel dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘verkeren in een toestand van te hebben opgehouden te betalen’ dan wel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd ter invulling van dit begrip. Onder verwijzing naar voornoemd arrest van de Hoge Raad van 10 november 2006, alsmede naar literatuur beroept het middel zich op de (ongeschreven) regel “dat er in hoger beroep, wil een vordering tot vernietiging van een uitgesproken faillissement kans van slagen hebben, betaling aan de crediteuren, daaronder begrepen [de] curator, verzekerd moet zijn.” Het middel betoogt dat aan het nadere vereiste in appel dat alle bestaande crediteuren moeten worden voldaan om tot vernietiging van het faillissement te kunnen concluderen, niet is voldaan en klaagt dat om die reden het hof met rov. 3.8 het recht heeft geschonden. Het middel betoogt voorts dat omdat vaststond dat aan het pluraliteitsvereiste was voldaan, waarbij ten minste één vordering opeisbaar was, het hof daarmee reeds had kunnen en moeten komen tot het oordeel dat [verweerster] verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
onderdeel 2.2klaagt het middel eveneens dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘verkeren in een toestand van te hebben opgehouden te betalen’ dan wel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd ter invulling van dit begrip. Het middel wijst er wederom op dat aan het pluraliteitsvereiste is voldaan en wijst er tevens op dat er nog een additionele crediteur is, te weten de eigenaar/verhuurder van het bedrijfspand van [verweerster] [4] . Het middel klaagt dat het hof ten onrechte relevantie heeft toegekend aan de debiteurenstand, dat het hof heeft miskend dat onbetwist is dat de bekende crediteuren onbetaald zijn gebleven en dat het hof had moeten onderzoeken of alle door de rechtbank en door de curator in aanmerking genomen vorderingen nog bestonden.