Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Wij sluiten de overeenkomst met u met betrekking tot het afstaan van de locatie Ladders Post ten behoeve van woningbouw onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat u van uw kant uitvoering zult geven aan de voorgenomen besluitvorming met betrekking tot de vestiging van een bouwmarkt in Epe, conform uw brieven van 7 november 1997 en 20 maart 1998. Het voorgaande brengt uiteraard met zich mee dat het College en de Raad geen medewerking zullen verlenen aan (bestemmingsplan)procedures, die andere bouwmarkten in de gelegenheid stellen om zich te vestigen op een locatie binnen de Gemeente, waar dit ultimo 1997 nog niet mogelijk was. Indien het College respectievelijk de Raad op enig moment wel voornemens zijn een dergelijke bestemmingsplan procedure in gang te zetten, dan zal [betrokkene 1] [5] als eerste in de gelegenheid worden gesteld om van deze mogelijkheid tot vestiging van een bouwmarkt gebruik te maken.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
niet gelijkwas aan die van Formido en Les Arcs, althans de Gemeente een
objectief gerechtvaardigd onderscheidheeft gemaakt tussen de situatie van laatstgenoemden enerzijds en die van Bouwmarkt Epe anderzijds.
intentieovereenkomstin 2007 in wezen neerkwam op het inruilen van hun reeds bestaande posities elders in Epe voor posities op het nieuwe bedrijventerrein. Waar de Gemeente zich gecommitteerd had met betrekking tot de oorspronkelijke locaties, mocht zij dit in 2007 ook met betrekking tot de nog uit te geven terreinen. Bouwmarkt Epe werd daardoor niet benadeeld: in geval de bouwmarkten op de oorspronkelijke locaties waren ontwikkeld, was er voor een door haar te vestigen bouwmarkt immers ook geen plaats geweest. Bijgevolg was, aldus nog steeds de Gemeente (cassatiedagvaarding, p. 6), anders dan het hof in rov. 4.22 heeft beslist, ook de daarop volgende
weigering tot inschrijvingvoor een kavel niet onrechtmatig. Waar de Gemeente zich in de intentieovereenkomst mocht verbinden tot verkoop van de nieuwe kavels en planologische medewerking aan de vestiging van twee bouwmarkten, had zij, zelfs indien Bouwmarkt Epe had meegedongen naar een kavel, haar geen kavel behoeven gunnen althans had Bouwmarkt Epe op een haar gegunde kavel geen bouwmarkt kunnen ontwikkelen. De Gemeente was niet gehouden Bouwmarkt Epe de mogelijkheid te bieden tot een bij voorbaat kansloze mededinging, aldus het subonderdeel.
beschikten over een locatie waarop een bouwmarkt zou kunnen worden gerealiseerd(rov. 4.15) – niet kwalificeert als een verschil dat het door de Gemeente gemaakte onderscheid rechtvaardigt.
toegezegddat Bouwmarkt Epe zou kunnen meedingen naar een kavel, die naar eigen zeggen van de Gemeente geschikt was voor de vestiging van een bouwmarkt, maakt dat de (eventuele) betekenis van de in 2007 inmiddels bestaande grondposities voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel geacht moet worden te zijn ‘overruled’ [26] en dat de Gemeente zich had moeten onthouden van het sluiten van de intentieovereenkomst. Het oordeel van het hof geeft naar mijn mening dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het gelijkheidsbeginsel. Het is voorts niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de Gemeente ook tot gelijke behandeling zou zijn gehouden zonder een daartoe strekkende toezegging.
aan de grondpositie met potentiële vrijstelling van Les Arcs voor de Hammerstraat 48 een gebrekkige belanginventarisatie van de Gemeente ten grondslag lag, waarbij het hof verwijst naar rov. 4.20 en 4.21. Het subonderdeel bevat verschillende klachten die deze overweging als onjuist en/of onbegrijpelijk bestempelen.
handelen(en, anders dan met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel, niet van schending van een beginsel), en (iii) het gegeven dat ‘strijd met de zorgvuldigheid’ een gangbaar synoniem is voor de onrechtmatigheidscategorie van strijd met ongeschreven recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro [29] , moet het oordeel van het hof m.i. zo worden begrepen dat het hof zijn oordeel niet op schending van het formele zorgvuldigheidsbeginsel heeft gebaseerd, maar tot uitdrukking heeft gebracht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, ofwel wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, ofwel wegens strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat de Gemeente ook het formele zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden heeft het hof dan ook niet vastgesteld.
subonderdeel 3.3wordt geklaagd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden, nu Bouwmarkt Epe in hoger beroep slechts is opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en haar beslissing omtrent het zorgvuldigheidsbeginsel niet meer aan de orde heeft gesteld.