Conclusie
middelkeert zich, mede gezien de toelichting daarop, met drie klachten tegen de bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. In de eerste plaats zou de bewezenverklaring onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn, nu uit de bewijsconstructie niet kan worden afgeleid dat verzoeker een significante bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen ten aanzien van [slachtoffer 2]. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte uit de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaring van [slachtoffer 1], heeft afgeleid dat deze daadwerkelijk in het nauw gedreven was. En in de derde plaats wordt gesteld dat geen sprake is geweest van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld tegen [slachtoffer 1] nu verzoeker – kort gezegd – jegens hem geen kwaad in de zin had zodat bij verzoeker het vereiste opzet op het plegen van het geweld in vereniging ontbrak.
Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] (…) van 29 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
Bespreking gevoerd verweer