Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
pleegtuit te oefenen, nu hij ook thuis pleegt te werken.
pleegtuit te oefenen”.
pleegtuit te oefenen”, wordt noch door de verordening, noch door de toepassingsverordening, noch door de jurisprudentie van het HvJ EU beantwoord. Wel heeft het HvJ EU in de zaak C-115/11
Formatterloops overwogen dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden in een andere lidstaat veronachtzaamd worden voor de beoordeling of van ‘plegen’ sprake is, en wellicht ook voor de toepassing van art. 13 Vo Pro. 1408/71, dus ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel (plaats van feitelijke werkzaamheid).
C-276/81, Kuijpers,en C-2/89,
Kits van Heijningen, blijkt dat de toewijzingsregels van Titel II Vo. 1408/71 ook gelden voor werkzaamheden die in absolute omvang (zeer) beperkt zijn.
Formaten de zaak C-425/93,
Calle Grenzshop Andresenblijkt echter dat als niet regelmatig (patroonmatig), maar slechts ‘louter incidenteel’ in een andere lidstaat wordt gewerkt, geen sprake is van ‘plegen werkzaamheden uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten’ ex art. 14(2) Vo. 1408/71. Hoewel daarmee de conflictregel van art. 14 uitgeschakeld Pro wordt, leidt dat denkelijk toch niet tot dubbele verzekering omdat kennelijk ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel van art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 (plaats van werkzaamheid) voorbijgegaan wordt aan werkzaamheden die ‘louter incidenteel’ op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht.
Kuijpersblijkt dat dit voldoende kan zijn om onder art. 14(2) Vo. 1408/71 te vallen. Het Hof heeft echter feitelijk geoordeeld dat over thuiswerken geen afspraken tussen de werkgever en de belanghebbende bestaan en dat feitelijk geen sprake was van regelmaat of een structureel patroon. Dat wordt door de belanghebbende expliciet niet weersproken. Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat belanghebbendes werkzaamheden gewoonlijk in Nederland werden verricht en het thuiswerken en klantbezoek in België slechts incidenteel plaatsvond. ’s Hofs daarop gebaseerde rechtskundige conclusie dat “geen sprake is van het plegen uitoefenen van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten” in de zin van art. 14(2) Vo. 1408/71 is alsdan juist.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Vp-bulletin2015/5 en
NTFR2014/2997 NTFR-commentator Noordenbos gaat ook in op de premieheffing:
3.Het geding in cassatie
Format, dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden veronachtzaamt. ’s Hofs feitelijke vaststellingen, waaronder de onbestreden vaststelling dat bij de Belgische werkzaamheden geen sprake is van regelmaat of structuur, voeren zijns inziens tot de conclusie dat de werkzaamheden in België louter incidenteel waren en dat de belanghebbende zijn werkzaamheden gewoonlijk slechts in Nederland verrichtte, zodat art. 14(2) Vo 1408/71 niet van toepassing is.
4.Premieheffing
5.De Europese coördinatieregels: Vo. 1408/71 en dier opvolgster Vo. 883/2004
quateren 14
septies [12] zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel [Titel II; PJW] vastgesteld.”
a) is van toepassing:
nietvan toepassing was) geeft in art. 14 “Verduidelijkingen bij de artikelen 12 en 13 van de basisverordening” (bedoeld is Vo. 883/2004): [20]
ter. Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 13 van Pro de basisverordening worden marginale werkzaamheden buiten beschouwing gelaten. (…)
ter) Vo. 987/2009 als volgt (blz. 30):
Format, waarin ‘louter incidentele werkzaamheden’ werden veronachtzaamd voor de toewijzingsregels van Titel II van Vo. 1408/71 (zie 5.13 hieronder).
pleegtuit te oefenen”, wordt noch door de verordening, noch door de toepassingsverordening, noch door de jurisprudentie van het HvJ EU beantwoord. In de zaak
Format [23] heeft de advocaat-generaal Mazák voorgesteld om een periode van twaalf maanden als uitgangspunt te nemen, maar het HvJ EU is daar niet op in gegaan. Wel heeft hij in die zaak terloops overwogen dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden in een andere lidstaat veronachtzaamd worden voor de beoordeling of van ‘plegen’ sprake is, en wellicht ook voor de toepassing van art. 13 Vo Pro. 1408/71, dus ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel (plaats van feitelijke werkzaamheid):
Placht de belanghebbende in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst uit te oefenen?
pleegtuit te oefenen”. De vraag is wat ‘plegen’ in art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 betekent en over welke tijdspanne dat ‘plegen werkzaamheden uit te oefenen’ beoordeeld moet worden. Deze vraag is ook aan de orde in de zaak met rolnr. 14/05346 waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die zaak gaat het om een onbetaald verlof binnen een dienstbetrekking in Nederland om drie maanden voltijds in loondienst in Oostenrijk skilessen te kunnen geven.
C-276/81, Kuijpers, [24] blijkt dat de toewijzingsregels van Titel II Vo. 1408/71 ook gelden voor werkzaamheden die in absolute omvang beperkt zijn. De twee-keer-twee-uur-per-week [25] deeltijddocent
Kits van Heijningenuit zaak C-2/89 [26] was verzekerd in zijn werkstaat ook op de dagen dat hij niet werkte en van zijn eigenlijke pensioen genoot in zijn woonstaat:
Format. Hoewel daarmee de conflictregel van art. 14 uitgeschakeld Pro wordt, leidt dat denkelijk toch niet tot dubbele verzekering omdat kennelijk ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel van art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 (plaats van werkzaamheid) voorbijgegaan moet worden aan werkzaamheden die ‘louter incidenteel’ op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht.
Calle Grenzshop Andresen [27] , over een vlakbij de Deense grens gevestigd Duits detailhandelsbedrijf. De in Denemarken wonende Deense bedrijfsleider, die grotendeels in Duitsland werkte, was niettemin in zijn woonstaat Denemarken verzekerd omdat hij “een deel van zijn werkzaamheden geregeld meerdere uren per week” in zijn woonstaat verrichtte en daarmee onder art. 14(2)(b)(i) Vo. 408/71 viel. Het HvJ EU verklaarde voor recht:
Calle Grenzshopwas de beoordelingsperiode alleen een kwestie in verband met de vraag of sprake was van detachering, zodat deze aanwijzing met voorzichtigheid beschouwd moet worden.
Kuijpersblijkt dat dit voldoende kan zijn om onder art. 14(2) Vo. 1408/71 te vallen. Daarvoor is wel vereist dat sprake is van een patroon van thuiswerken.
Hervein 2, of richten zich in wezen tegen de kennelijk onwelgevallige, maar duidelijke rechtspraak van het HvJ EU in met name de zaken
Formaten
Calle Grenzshop, of voeren feitelijke stellingen aan over de 24-uurseconomie en dier invloed op belanghebbendes werksituatie die niet in feitelijke instantie zijn aangevoerd en in cassatie niet onderzocht kunnen worden.