Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Kwalificeert de ontslagvergoeding als een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding?
‘pseudo-eindheffing’. Deze eindheffingsvorm heeft een min of meer bestraffend karakter. Deze heffing komt niet – zoals bij een gewone eindheffing het geval is –
in de plaatsvan de reguliere loonheffing bij de werknemer, maar wordt geheven
naastde gewone loonheffing. De heffing is bestemd te worden gedragen door de inhoudingsplichtige werkgever voor een toegekende looncomponent die maatschappelijk als onwenselijk is aangemerkt. Het is als het ware een ontmoedigingsheffing. Van de werknemer wordt daarnaast op de desbetreffende looncomponent de ‘reguliere’ loonbelasting ingehouden. Sinds 1 januari 2005 wordt deze methodiek toegepast op regelingen voor vervroegde uittreding.
nietkwalificeert als RVU in de zin van art. 32ba Wet LB 1964. In het Besluit van 26 mei 2005 [15] geschiedt dit onder meer aan de hand van een kwantitatieve toets (de hoogte van de uitkering), in het Besluit van 8 december 2005 [16] aan de hand van een kwalitatieve toets (de reden van toekenning).
Geen (VUT-)eindheffing bij niet-leeftijdgerelateerd individueel ontslag
BNB2006/118 is dit ook terug te vinden. Ik lees dat besluit zo, dat bij een individueel ontslag of reorganisatie geen sprake zal zijn van een RVU, maar vanzelfsprekend moet daarbij wel worden getoetst of van een
echtereorganisatie sprake is. Een manier om dat te toetsen is na te gaan of de bij ontslag geldende arbeidsrechtelijke normen zijn nageleefd. Als de bonden bij de reorganisatie betrokken zijn, mag daarvan naar mijn mening worden uitgegaan. Dit brengt de Staatssecretaris van Financiën in het genoemde besluit tot uitdrukking door het de inspecteur lastig te maken om in ontslagsituaties de RVU-heffing in te zetten. Zo kan de vraag of van een RVU sprake is niet alleen struikelen over de ‘kwalitatieve toets’ (de wettekst dus), maar ook over de door de staatssecretaris verzonnen ‘kwantitatieve toets’ uit het besluit
BNB2006/119. Zelf zegt de staatssecretaris dat in de meeste reguliere ontslagsituaties op grond hiervan de VUT-heffing niet van toepassing zal zijn. Daar voegt hij nog aan toe: “Bij verschil van inzicht met de inhoudingsplichtige zal de inspecteur op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. De bewijslast ligt in dat geval dus bij de inspecteur.” Dit komt wel erg dicht bij hetgeen de A-G met zijn cassatieberoep voor ogen leek te hebben gestaan. Als regel is een regeling bij ontslag geen RVU-regeling en op de inspecteur rust de bewijslast van het tegendeel. Dat daarbij moet worden getoetst of daadwerkelijk van ontslag sprake is en niet van een versluierde RVU-regeling, vind ik voor de hand liggen en ik neem aan dat de A-G op dit punt geen andere mening zou zijn toegedaan. De vraag is dus waarom de A-G cassatie heeft ingesteld als het daarmee te bereiken resultaat dankzij genoemd besluit al zo goed als staande praktijk was.
5.Beschouwing
overbruggingvan de periode tot het ingaan van het pensioen en/of de AOW, dan wel tot het
aanvullenvan uitkeringen ingevolge een pensioenregeling (zie onderdeel 4.2).