Conclusie
Voor de levering van de Geselecteerde Voorkeursproducten aan VGZ verzekerden ontvangt u van de fabrikant een afleververgoeding van € 0,30 per flesje. Het complete overzicht van de drinkvoedingen (Geselecteerde Voorkeursproducten en niet-geselecteerde producten) en de bijbehorende declaratiecondities per productcategorie is te vinden op bijlage 1a ‘Voorkeursproducten’. Aflevering van het voorkeursproduct heeft als voordeel dat deze niet ten laste worden gebracht van het eigen risico van VGZ verzekerden. VGZ monitort de mate waarin u uitvoering geeft aan het voorkeursbeleid. Deze informatie zal voor VGZ leidend zijn voor de contractering van u als afleveraar van dieetpreparaten in 2015.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1zien op de omvang van de rechtsstrijd en richten zich tegen rov. 4.9. Deze rechtsoverweging, alsmede rov. 4.8 en het daarboven geplaatste opschrift, geef ik hierna weer.
De omvang van de rechtsstrijd
uitsluitendheeft betrokken op de vergoedingen op de lb-lijst, te meer nog nu Nutricia gelet op het relativiteitsvereiste haar vordering ook niet zou hebben kunnen richten tegen het voorkeursbeleid en de vergoedingen voor niet-geselecteerde producten (in elk geval voor zover deze niet afkomstig zijn van Nutricia) op de la-lijst, en zich niet zou hebben kunnen baseren op hetgeen SPVD c.s. ten grondslag hebben gelegd aan hun stelling dat het voorkeursbeleid en de vergoedingen voor niet-geselecteerde producten op de la-lijst onrechtmatig zijn jegens verzekerden, aldus subonderdeel 1a. De door het hof in rov. 4.9 genoemde factoren maken dat volgens het subonderdeel niet anders.
nietuitsluitend heeft betrokken op de vergoedingen op de 1b-lijst, het hof een onbegrijpelijke en/of rechtens onjuiste uitleg aan de stellingen van Nutricia heeft gegeven. Nutricia heeft immers haar vordering wél uitsluitend hierop betrokken en heeft derhalve niet, zoals het hof in rov. 4.9 heeft overwogen, het inkoopbeleid van VGZ voor 2014
“als één samenhangend geheel”in haar vordering betrokken. Indien het hof zou hebben gemeend dat de verschillende onderdelen van de zorgovereenkomsten zodanig met elkaar samenhangen dat in dit geding slechts kon worden geoordeeld over deze zorgovereenkomsten in hun geheel, is dat oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en/of onjuist.
kunnenaanvoeren omdat de gevoegde partij daarop geen beroep toekomt. Over wat het juiste antwoord op deze vraag is verschillen de meningen.
“Niet valt immers in te zien waarom de in de procedure ingestelde vordering van dan wel tegen die partij zou mogen worden toe- respectievelijk afgewezen op een grond waar deze zelf geen beroep (meer) op zou kunnen doen”, aldus Snijders [8] . De Folter heeft een vergelijkbare opvatting [9] .
“dat uitsluitend rechten van (de oorspronkelijk gedaagde) en niet rechten van (de gevoegde partij) in geschil zijn, waaruit volgt, dat al staat het aan deze vrij zelfstandig verweer te voeren, zij daarbij niet met vrucht beroep kan doen op middelen, die niet ook aan (de oorspronkelijk gedaagde) zouden toekomen”.
“allerlei verweren aanvoeren die kunnen dienen ter versterking van het standpunt van die partij, ook wanneer het een verweer zou zijn dat alleen voor de zich voegende partij zou opgaan” [10] .
[A] /Heineken), ECLI:NL:HR:2012:BW9067, NJ 2012/606 m.nt. H.B. Krans, toont aan tot welke ongewenste gevolgen een andere opvatting zou kunnen leiden.
[A] /Heinekenis verweer 2 bovendien een verweer dat B niet had kunnen voeren.
[A] /Heinekeneen andere zou zijn geweest, als Heineken zelf het betrokken verweer niet had kunnen voeren.
“eveneens mede in het voordeel van Nutricia (zou) uitpakken”.
“de voorzieningenrechter is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden”- had het hof moeten onderzoeken of Nutricia wel of niet een beroep op de door SPVD c.s. aangevoerde gronden toekwam. Indien niet, dan had het hof grief 2 gegrond moeten oordelen. De gevoegde partij kan immers niet de rechtsstrijd uitbreiden met gronden of verweermiddelen waarop de hoofdpartij geen beroep kan doen. Niet voeging maar tussenkomst was alsdan op haar plaats geweest. Door anders te oordelen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre slaagt de klacht van subonderdeel 1a.
jegens Nutriciaworden veroordeeld op gronden die Nutricia niet met succes aan haar vordering ten grondslag kan leggen. Dat geldt óók als een veroordeling
jegens een andere partij (SPVD c.s.)op die gronden niet is uitgesloten en een dergelijke veroordeling (in de woorden van de voorzieningenrechter:) mede zou kunnen uitpakken in het voordeel van Nutricia, zonder dat Nutricia zelf over een executoriale titel jegens VGZ c.s. beschikt. Dat een partij blootstaat aan de kans op veroordeling jegens een bepaalde wederpartij en dat anderen van een dergelijke veroordeling zouden kunnen profiteren, maakt die partij in die zin niet vogelvrij, dat zij daarom maar zou moeten dulden jegens een ieder van die anderen te worden veroordeeld op gronden waarop slechts die bepaalde wederpartij een beroep kan doen.
“haar vordering (heeft) toegespitst op de ‘overige dieetpreparaten’, zoals opgenomen in bijlage 1b bij de zorgovereenkomst, als onderdeel van het inkoopbeleid”, maar
“in haar betoog(wat niet hetzelfde is als: in haar vordering; LK)
(…) zowel in eerste aanleg als in hoger beroep het hele inkoopbeleid van VGZ c.s. voor 2014 als één samenhangend geheel heeft betrokken”. Dat de door Nutricia aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden (slechts) betrekking hadden op de (maximumvergoedingen voor) producten op de 1b-lijst, wordt in de schriftelijke toelichting van de zijde van Nutricia (onder 33) overigens beaamd. Volgens het hof is er geen tegenstrijdigheid van de proceshouding van SPVD c.s. met die van Nutricia, gelet op de ruime formulering van het
petitumvan Nutricia, de onderlinge samenhang tussen de verschillende onderdelen van het inkoopbeleid van VGZ c.s., het feit dat zowel Nutricia als SPVD c.s. tegen (ook in de visie van het hof kennelijk
nietdezelfde)
“onderdelen”van het inkoopbeleid van VGZ c.s. opkomen en het feit dat Nutricia en SPVD c.s. in die zin gelijkgerichte belangen hebben.
medischemotivatie te eisen voor aflevering van een ander dan het geselecteerde voorkeursproduct. Dit wordt door VGZ c.s. echter wel afgedwongen door (de samenstellende delen van) dit inkoopbeleid. Daarvan maakt immers niet alleen deel uit een dwingend percentage van 25 %, waarboven met niet-geselecteerde voorkeursproducten niet mag worden gekomen en waarop afleveraars potentieel worden afgerekend. Ook hebben VGZ c.s. voor de niet-geselecteerde voorkeursproducten en voor de overige dieetproducten met de 1a en 1b lijsten voorzien in - sterk verlaagde - maximumprijzen, dit wat betreft de 1b lijst mede om ‘vluchtgedrag’ ten aanzien van bepaalde voorkeursproducten te voorkomen.
De effectiviteit van dit beleid van VGZ c.s. wordt bevestigd in de door SPVD c.s. als productie 35 overgelegde verklaring van de Nederlandse Brancheorganisatie voor Medische Technologie (FHI). Daaruit blijkt dat de zorgverleners unaniem van mening zijn dat de vergoedingen die VGZ c.s. aan zorgverleners bieden voor niet voorkeursproducten zijn gedaald tot onder de kostprijs. Om te kunnen blijven bestaan, zijn zij, zo voeren zij aan, verplicht om bij de voorkeursfabrikant te kopen.
enigdieetpreparaat van de in art. 2.8 lid 1 onder c Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv) omschreven soort verstrekt of vergoedt, mits dit preparaat ook voldoet aan de criteria van art. 2.1 lid 2 Bzv en voorts ten aanzien van de individuele verzekerde is voldaan aan de vereisten van art. 2.1 lid 3 Bzv, art. 2.5 lid 3 Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv) en bijlage 2, onder 1, bij de Rzv. Dat brengt volgens het subonderdeel mee dat de zorgverzekeraar binnen de groep van dieetpreparaten die voldoen aan voormelde criteria op doelmatigheidsgronden een keuze mag maken en een of meer dieetpreparaten mag aanwijzen die (bij voorkeur of in beginsel) aan de verzekerde dienen te worden verstrekt. Volgens het subonderdeel is het hof ten onrechte ervan uitgegaan dat (natura-)verzekerden jegens VGZ c.s. aanspraak hebben op verstrekking van
alledieetpreparaten die voldoen aan de open omschrijving van art. 2.8 lid 1 onder c Bzv en aan de criteria van art. 2.1 lid 2 Bzv.
eendieetpreparaat verstrekt of vergoedt.
bepaaldezorgvorm of een bepaalde dienst - in casu een bepaald dieetpreparaat - daarvan deel uitmaakt. Uit art. 2.1 lid 2 Bzv kan dus niet worden afgeleid dat de verzekerde ook een keuze dient te hebben uit meerdere zorgvormen - in casu: meerdere dieetpreparaten - die ieder voor zich aan de norm van art. 2.1 lid 2 Bzv voldoen.
behoeftevan de verzekerde aan farmaceutische zorg. Deze behoefte is een risico dat onder de zorgverzekering is verzekerd (zie art. 10 aanhef Pro en sub c Zvw:
“Het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico is de behoefte aan (…) farmaceutische zorg;”). Op grond van art. 11 lid 1 Zvw Pro heeft de zorgverzekeraar een zorgplicht jegens de verzekerde. Aan die zorgplicht wordt zodanig vormgegeven dat de verzekerde bij wie het verzekerde risico zich voordoet, recht heeft op prestaties bestaande uit de zorg waaraan hij behoefte heeft.
niet, zoals bij de bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde geneesmiddelen (zie art. 2.8 lid 1 aanhef en sub a Bzv), dat zij alleen voor verstrekking op grond van de zorgverzekering in aanmerking komen indien zij door de zorgverzekeraar zijn aangewezen. In beginsel vallen de genoemde soorten dieetpreparaten dus onder de verzekerde farmaceutische zorg.
“De inhoud en de omvang van de vormen van zorg of diensten worden mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten”. De nota van toelichting bij het Bzv licht toe dat het criterium
“díe zorg tot (…) deel van het pakket (verklaart), welke de betrokken beroepsgroep tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden rekent”en dat
“(d)aarbij (…) zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters (zijn)” [18] .
nietdat het zorgverzekeraars categorisch is verboden om op het gebied van dieetpreparaten (enig) voorkeursbeleid te voeren. Die ruimte zou er naar mijn mening kunnen zijn, waar duidelijk is dat bepaalde dieetpreparaten (van verschillende fabrikanten) niet in relevante mate verschillen. In dat geval zouden overwegingen van doelmatigheid kunnen rechtvaardigen dat verzekerden geen recht hebben op elk door hen gewenst product. Dat ligt mijns inziens voor de hand [20] en is bovendien in lijn met het feit dat in het wettelijk stelsel van de Zvw de verantwoordelijkheid voor de doelmatigheid in de zorg voor een belangrijk gedeelte bij de zorgverzekeraars is gelegd [21] .
behoeftevan de verzekerde aan bepaalde vormen van zorg, waaronder de in art. 10, aanhef en onder c, Zvw en in art. 2.8 lid 1 Bzv genoemde farmaceutische zorg, die ook de verstrekking van de in art. 2.8 lid 1, aanhef en onder c, Bzv bedoelde dieetpreparaten omvat. Naar luid van art. 2.1 lid 2 Bzv worden de inhoud en omvang van de verzekerde vormen van zorg mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk. Tegen die achtergrond is het niet de vraag of
een bepaald dieetpreparaataan het criterium van de stand van de wetenschap en praktijk voldoet, maar of, gelet op
de behoefte van de verzekerde,verstrekking van dat bepaalde preparaat valt binnen de mede naar de stand van de wetenschap en praktijk te beoordelen inhoud en omvang van de farmaceutische zorg waarop de verzekerde recht heeft. Toepassing van het criterium van de stand van de wetenschap en praktijk kan (althans in theorie) tot de conclusie leiden dat verzekerden recht erop hebben een keuze uit méér dieetpreparaten te kunnen maken, bijvoorbeeld omdat, zoals SPVD c.s. hebben betoogd, keuze voor een ander dan het voorkeurspreparaat de dieettrouw bevordert.
enigdieetpreparaat verstrekt of vergoedt dat aan de criteria van art. 2.1 lid 2 Bzv voldoet, acht ik daarom in haar algemeenheid niet juist. Toepassing van het criterium van de stand van de wetenschap en praktijk kán (in theorie) immers tot de conclusie leiden dat verzekerden een keuze uit méér dieetpreparaten dienen te hebben. Het voeren van een beleid dat de aanspraken van verzekerden op dieetpreparaten vergaand beperkt, kán daarom met de Zvw in strijd zijn, ook al is het voeren van een voorkeursbeleid, zoals hiervoor betoogd, niet principieel met de Zvw onverenigbaar. In zoverre faalt het subonderdeel.
alledieetpreparaten die aan de open omschrijving van art. 2.8 lid 1 onder c Bzv en aan de criteria van art. 2.1 lid 2 Bzv voldoen.
“Standpunten 2013 Beoordeling modelovereenkomsten en reglementen”van de NZa, dat ook het hof van oordeel is dat de zorgverzekeraar het pakket
nietkan beperken door
“(h)et op voorhand (…) aanwijzen van bepaalde dieetpreparaten (een soort voorkeurslijst)”en dat de Zvw zich derhalve
a prioritegen elk voorkeursbeleid met betrekking tot zulke preparaten verzet. Zoals in het voorgaande reeds besloten ligt, meen ik echter dat de zorgverzekeraar uit een voldoende homogene categorie van producten een keuze kan maken en ter zake een voorkeursbeleid kan voeren, en dat ik in zoverre ook het door het hof aangehaalde standpunt van de NZA niet deel [26] .
“Het hof gaat er derhalve voorshands vanuit dat bij dieetpreparaten de persoonlijke keuze van de patiënt uit meerdere dieetpreparaten met meerdere smaken en van verschillende fabrikanten op basis van niet alleen medische factoren onderdeel vormt van hetgeen bij de behandeling van ondervoeding in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten in de zin van artikel 2.1 lid 2 Bz.”Op grond van art. 2.1 lid 2 Bzv is het hof derhalve van oordeel dat, daargelaten of de Zvw aanspraak op verstrekking of vergoeding van
alledieetpreparaten biedt, per soort althans
meerderedieetpreparaten voor verstrekking of vergoeding in aanmerking moeten komen en dat het litigieuze voorkeursbeleid in elk geval in die zin te restrictief is. Of dat mogelijk zelfstandig dragende oordeel, dat met subonderdeel 2d wordt bestreden, stand houdt, komt bij de bespreking van dat subonderdeel nader aan de orde.
zorgis en niet (althans niet primair) om te bepalen of
een bepaald dieetpreparaatdaarvan al dan niet onderdeel vormt.
en van verschillende fabrikantenonderdeel vormt van hetgeen bij de behandeling van ondervoeding in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten in de zin van art. 2.1 lid 2 Bzv. Uit de (door VGZ c.s. als zodanig onderschreven) omstandigheid dat keuze uit smaak, consistentie, geur e.d. van groot belang is voor de therapietrouw en effectiviteit van dieetpreparaten, volgt immers niet dat ook sprake dient te zijn van keuze uit producten van
verschillende fabrikanten, laat staan dat dit aspect
“van groot gewicht”zou zijn (zoals het hof in rov. 4.13 heeft overwogen). Voorts is het hof niet, althans niet met een toereikende motivering, ingegaan op de stelling van VGZ c.s. dat de geselecteerde voorkeursproducten binnen de vier categorieën van het voorkeursbeleid voldoende uitwisselbaar zijn met andere producten binnen die categorieën.
verantwoord en adequaatis. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het, gelet op de stellingen van VGZ c.s., zijn oordeel in rov. 4.13 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
“de persoonlijke keuze van de patiënt uit meerdere dieetpreparaten met meerdere smaken en van verschillende fabrikanten op basis van niet alleen medische factoren onderdeel vormt van hetgeen bij de behandeling van ondervoeding in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg in de zin van art. 2.1 lid 2 (Bz)”. Dit oordeel heeft het hof gemotiveerd, onder meer, door te verwijzen naar de door SPVD c.s. in het geding gebrachte producties, waaronder het e‑mailbericht van prof. [B] , en door te memoreren dat VGZ c.s. op zichzelf niet betwisten dat het, in verband met de therapietrouw, van groot belang is dat patiënten kunnen kiezen uit verschillende producten. Op grond van dit een en ander heeft het hof aannemelijk geacht dat de keuze uit meerdere dieetpreparaten met meerdere smaken van meerdere fabrikanten voor de patiënt in verband met de dieettrouw en de effectiviteit daarvan van groot gewicht zijn.
andere fabrikantenter discussie gesteld. Daarbij is het kennelijk niet toevallig dat hij niet van
andere productenzonder meer, maar van
de producten van andere fabrikantenheeft gesproken. Hij wijst er immers op dat specifieke
merkenvaak een bepaalde signatuur van sensorische eigenschappen hebben die bij sommige consumenten in de smaak vallen, maar bij andere niet.
- het hier gaat om drinkvoedingen die in die zin in consistentie weinig verschillen dat zij steeds hetzij op basis van sap, hetzij op basis van melk zijn bereid,
- daarmee bovendien in door de fabrikant uitgegeven recepten kan worden gevarieerd,
- de verschillende preparaten steeds in tenminste vijf smaken verkrijgbaar zijn,
- (naar smaak en consistentie mogelijk - sterk - verschillende) verdikte preparaten en hartige varianten van drinkvoeding buiten het voorkeursbeleid zijn gelaten en
- in 25% van de gevallen (één op de vier patiënten) naar een alternatief voor het voorkeursproduct kan worden uitgeweken.
van verschillende fabrikantenonderdeel vormt van een verantwoorde en adequate zorg als bedoeld in art. 2.1 lid 2 Bzv en dat het litigieuze voorkeursbeleid in dat opzicht tekortschiet. In zoverre acht ik de klachten van het subonderdeel gegrond.
“uit meerdere dieetpreparaten met meerdere smaken en van verschillende fabrikanten”moet worden geboden, impliceert dat de verzekerde een zo breed mogelijke keuze uit
alledieetpreparaten van
allefabrikanten dient te hebben. De bestreden overweging laat zich, in samenhang met de daarop volgende rov. 4.14, waaruit blijkt dat het hof voor een voorkeursbeleid überhaupt geen ruimte ziet, moeilijk anders dan in de door het subonderdeel voorgestane zin lezen. Daarbij komt dat rov. 4.13, waarin het hof kennelijk doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de opvatting van prof. [B] dat specifieke merken vaak een bepaalde signatuur van sensorische eigenschappen hebben die bij sommige consumenten in de smaak vallen, maar bij andere niet, ook geen aanknopingspunten biedt voor een toegelaten uitsluiting van bepaalde fabrikanten (of, zo men wil, merken). Als het oordeel in rov. 4.13 inderdaad aldus moet worden verstaan dat de keuze van de patiënt uit dieetpreparaten van verschillende fabrikanten in het geheel niet mag worden beperkt, acht ik ook de tweede klacht van het subonderdeel gegrond. Aangenomen dat een voorkeursbeleid niet principieel in strijd is met de Zvw, komt het erop aan of de aan de verzekerde geboden keuze, óók als die door de verzekeraar is beperkt, niettemin aan het criterium van art. 2.1 lid 2 Bzv beantwoordt (zie ook hiervóór onder 2.26).
“in zijn verschillende, hiervoor onder 4.16 omschreven facetten, in onderlinge samenhang bezien”jegens verzekerden onrechtmatig heeft geacht. Het hof heeft niet vastgesteld dat het percentage van 25 ontoereikend zou zijn in het geval dat naar een alternatief voor een voorkeursproduct zou moeten worden uitgeweken. Dat laatste behoefde het hof ook niet vast te stellen, omdat volgens het hof het litigieuze voorkeursbeleid niet vanwege de ontoereikendheid van het percentage van 25 onrechtmatig is, maar vanwege de verschillende aspecten van het inkoopbeleid, in hun onderlinge samenhang bezien. In dat verband wijs ik op rov. 4.18, waarin het hof heeft overwogen:
medischemotivatie te eisen voor aflevering van een ander dan het geselecteerde voorkeursproduct. Dit wordt door VGZ c.s. echter wel afgedwongen door (de samenstellende delen van) dit inkoopbeleid. Daarvan maakt immers niet alleen deel uit een dwingend percentage van 25%, waarboven met niet-geselecteerde voorkeursproducten niet mag worden gekomen en waarop afleveraars potentieel worden afgerekend. Ook hebben VGZ c.s. voor de niet-geselecteerde voorkeursproducten en voor de overige dieetproducten met de 1a en 1b lijsten voorzien in - sterk verlaagde - maximumprijzen, dit wat betreft de 1b lijst mede om ‘vluchtgedrag’ ten aanzien van bepaalde voorkeursproducten te voorkomen. De effectiviteit van dit beleid van VGZ c.s. wordt bevestigd in de door SPVD c.s. als productie 35 overgelegde verklaring van de Nederlandse Brancheorganisatie voor Medische Technologie (FHI).(…)”
medischemotivering wordt verlangd (daarop zou kunnen wijzen dat het hof het woord
“medische”in rov. 4.18 heeft gecursiveerd), is het hof kennelijk van een te beperkte opvatting van het begrip medische motivering uitgegaan. Daarmee is mijns inziens niet (slechts) bedoeld een motivering die haar grond vindt in de metabole effecten van het voorkeursmiddel respectievelijk van het voorgeschreven alternatief, maar ook een motivering die verband houdt met de niet-voedingskundige eigenschappen van de beide producten die de therapietrouw van de betrokken patiënt beïnvloeden en aldus mede bepalen of met de verstrekking van het voorkeursproduct in het gegeven geval al dan niet aan het criterium van art. 2.1 lid 2 Bzv wordt voldaan.
“dat de zorgverleners unaniem van mening zijn dat de vergoedingen die VGZ c.s. aan zorgverleners bieden voor niet voorkeursproducten zijn gedaald onder de kostprijs”, naar welke verklaring het hof in rov. 4.18 heeft verwezen, heeft het hof ook niet meer dan een bevestiging gezien van (de effectiviteit van) het met de prijsverlagingen gevoerde ontmoedigingsbeleid, overigens zonder dat het hof de juistheid van die verklaring heeft vastgesteld en zonder dat het hof de volgens die verklaring unanieme mening van de zorgverleners met betrekking tot onder de kostprijs gedaalde vergoedingen [27] tot de zijne heeft gemaakt.
“de hierna in onderdeel 3c (onder iii) en 4b en 4c te vermelden redenen”) waarnaar het subonderdeel verwijst, niet zozeer betrekking hebben op afleveraars die de kostprijs voor hun afleveringen niet vergoed krijgen, als wel op fabrikanten van dieetpreparaten die gedwongen worden beneden
hunkostprijs aan afleveraars van dieetpreparaten te leveren. Het één is niet zonder meer hetzelfde als het ander. Zo is het niet zonder meer aannemelijk dat de (verlaagde) vergoedingen voor afleveraars hun kostprijs niet dekt, als afleveraars erin slagen beneden de kostprijs van de fabrikant in te kopen.
“de verzekerde zich wendt tot een door de zorgverzekeraar aangewezen zorgaanbieder”. In art. 32 van Pro de polisvoorwaarden van VGZ c.s. voor 2014 is bepaald dat het verplicht en vrijwillig eigen risico niet gelden indien de verzekerde
“gaat (...) naar een door ons gecontracteerde zorgaanbieder en (...) de door ons geselecteerde voorkeurs drinkvoeding (gebruikt)”. Dat dieetpreparaten geen geneesmiddelen of hulpmiddelen zijn (waarvoor art. 2.17 lid 2 onder c Bzv een
afzonderlijkemogelijkheid biedt om te bepalen dat kosten van de daar bedoelde zorg en diensten geheel of gedeeltelijk buiten het eigen risico vallen) maakt het voorgaande niet anders, aldus het subonderdeel. In zoverre is het hof volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, of heeft het zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.
De 1a en 1b lijsten
subonderdeel 3aklagen VGZ c.s. dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een symmetrie van belangen, die tot gevolg kan hebben dat VGZ c.s. met de belangen van Nutricia rekening moeten houden.
tenzijbijzondere of bijkomstige omstandigheden deze (wijze van) contractering jegens Nutricia als derde onrechtmatig maken.
Vleesmeesters/Alog), ECLI:NL:HR:2004:AO9069, NJ 2008/587 m.nt. C.E. du Perron. Het hof heeft volgens het subonderdeel niet aan alle te dezen relevante omstandigheden getoetst.
“grote bedrijfseconomische gevolgen”voor Nutricia zouden hebben, als zodanig onvoldoende om het handelen van VGZ c.s. jegens Nutricia onrechtmatig te achten.
“slechts”het woord
“niet”) beneden haar
all inclusive-kostprijs kan afleveren. Volgens het subonderdeel lag het op de weg van Nutricia de bedoelde omstandigheid te stellen en met voldoende concrete en feitelijke gegevens te onderbouwen en heeft Nutricia zulks nagelaten. Voorts wijst het subonderdeel erop dat het geenszins zeker is dat afleveraars erin zullen slagen van Nutricia levering van de betrokken producten te bedingen tegen de vergoedingen die zij daarvoor van VGZ c.s. zullen ontvangen en dat afleveraars zeer wel ervoor zouden kunnen kiezen een zeker verlies op de aflevering van die producten te accepteren. Ten slotte betoogt het subonderdeel dat, ook indien de zorgovereenkomsten tussen VGZ c.s. en de afleveraars Nutricia ertoe zouden dwingen producten beneden haar kostprijs aan de afleveraars te leveren, zulks het aangaan van die overeenkomsten niet onrechtmatig maakt en dat, zo dit al anders zou zijn, tenminste is vereist dat de kostprijs van Nutricia ook reëel is, dat wil zeggen in lijn is met hetgeen in de markt gebruikelijk is en/of niet onnodig hoog is. Daarbij herinnert het subonderdeel eraan dat VGZ c.s. hebben gesteld dat de yoghurtdrinkvoedingen van Nutricia (aanzienlijk) duurder zijn dan die van haar concurrenten.
“alleen, althans met name”is gebaseerd op het ontmoedigen van de aflevering van deze producten. Het subonderdeel herinnert aan de stellingname van VGZ c.s. dat het bedoelde motief slechts
medebepalend is geweest voor de vaststelling van de vergoedingen voor geconcentreerde en yoghurtdrinkvoedingen op de 1b-lijst en bovendien niet voor alle producten op die lijst. Voor zover het hof het motief van ontmoedigen van vluchtgedrag (mede) ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat het overeenkomen van de betrokken vergoedingen onrechtmatig is jegens Nutricia, is dat oordeel bovendien onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd om de navolgende redenen:
- de geconcentreerde en yoghurtdrinkvoedingen zijn vergelijkbaar met de drinkvoedingen uit het tweede cluster van het voorkeursbeleid;
- afleveraars kunnen daarom ervoor kiezen in plaats van het voorkeursproduct uit de tweede productcategorie de aanzienlijk duurdere geconcentreerde of yoghurtdrinkvoeding af te leveren, omdat dit laatste voor verzekerden een voldoende maar in veel gevallen niet noodzakelijk alternatief is;
- als de marges op geconcentreerde en yoghurtdrinkvoedingen veel hoger zouden zijn dan op het voorkeursproduct, het gevaar voor vluchtgedrag in het leven wordt geroepen;
“op geen enkele wijze rekening (wordt) gehouden dan wel recht gedaan aan de aard, specifieke eigenschappen en kostprijs van de onderscheiden producten”. Wat betreft de verwijzing naar de kostprijs herinnert het subonderdeel aan het gestelde in punt (iii): het hof heeft volgens het subonderdeel niet zonder meer mogen aannemen dat Nutricia zal zijn gehouden haar producten onder haar kostprijs aan afleveraars te leveren. Ook overigens is het bedoelde oordeel volgens het subonderdeel onvoldoende gemotiveerd, nu VGZ c.s. de wijze van totstandkoming van de litigieuze vergoedingen uitvoerig hebben verantwoord. Het subonderdeel herinnert eraan dat VGZ c.s. hebben aangevoerd:
- dat VGZ c.s. tot en met 2013 voor alle geconcentreerde drinkvoedingen dezelfde prijs betaalden
- dat voor 2014 voor een andere, meer geobjectiveerde benadering is gekozen, waarbij is uitgegaan van een prijs per milliliter geconcentreerde drinkvoeding, bepaald aan de hand van de dagdosering voor de voorkeursproducten, vermeerderd met een opslag;
- dat de vergoeding voor de geconcentreerde drinkvoedingen dus hoger ligt dan die voor de voorkeursproducten (circa 15%), en dat VGZ c.s. dan ook betekenis toekennen aan de bijzondere eigenschappen van deze voedingen ten opzichte van de standaarddrinkvoedingen;
- dat de AIP voor de hiervóór bedoelde voedingen van Nutricia (omgerekend naar ml geconcentreerd product) aanzienlijk hoger ligt dan die van andere fabrikanten;
- dat jarenlang de korting ten opzichte van de AIP voor Nutricia aanzienlijk lager lag dan voor andere fabrikanten;
- dat de stelling van Nutricia dat de kortingen ten opzichte van de AIP die in 2014 zijn toegepast voor haar producten veel hoger zijn dan voor de producten van andere fabrikanten, ten onrechte niet uitgaat van de AIP’s voor 2014 maar van de vergoedingen over 2013 (die voor alle fabrikanten gelijk waren en waarin dus zeer verschillende kortingen op de AIP - voor andere fabrikanten hoger dan voor Nutricia - waren verdisconteerd);
- dat met betrekking tot de yoghurtdrinkvoedingen nog geldt dat Nutricia zelf geen onderscheid maakt tussen de AIP voor haar yoghurtdrinkvoeding en die voor de (standaard) drinkvoeding Nutridrink (die op de 1a-lijst staat), hetgeen rechtvaardigt dat VGZ c.s. voor de yoghurtdrinkvoeding geen hogere vergoeding hebben vastgesteld dan voor de standaard drinkvoeding Nutridrink;
- dat de stelling van Nutricia dat haar producten
“geen recht doen aan de aard, specifieke eigenschappen en kostprijs van de onderscheiden producten”.
“dat de prijzen van de producten op de 1a en 1b lijsten zodanig zijn verlaagd dat afleveraars, om verlies te beperken, voorschrijvers er (…) maximaal toe zullen aanzetten door VGZ c.s. geselecteerde voorkeursproducten en geen andere producten meer voor te schrijven.”Volgens het subonderdeel is deze aanname van het hof onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd om de in subonderdeel 4b uiteen te zetten redenen.
Staat/Degensuit 1946 [29] . De Hoge Raad overwoog in dit arrest:
Vleesmeesters/Aloguit 2004 [30] , dat thans geldt als standaardarrest, bouwt op het arrest
Staat/Degensvoort. De Hoge Raad overwoog, in aanvulling op de hiervoor geciteerde overweging uit het arrest Staat/Degens, het volgende:
tekortschietenvan één van de partijen in de nakoming van een contractuele verplichting, waardoor de belangen van een derde werden geschaad [34] . De formulering van het criterium is hier ook op toegespitst: de contractant mag niet onder alle omstandigheden de belangen verwaarlozen die derden bij de
behoorlijke nakomingvan het contract kunnen hebben. Bovendien is volgens de Hoge Raad relevant dat de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant
in die uitvoering tekortschiet.
een nauwe betrokkenheidvan de belangen van de derde bij de gesloten overeenkomst en of de betreffende contractspartij, gelet daarop,
verplicht is met deze belangen rekening te houden. Hoe nauwer de betrokkenheid, hoe eerder een dergelijke plicht kan worden aangenomen.
Subonderdeel 3aricht zich tegen het oordeel van het hof dat van een symmetrie van belangen sprake is.
“VGZ c.s. en Nutricia ieder door afzonderlijke overeenkomsten verbonden (zijn) met dezelfde wederpartij (de afleveraars)”en dat
“die symmetrie van belangen (…) tot gevolg (kan) hebben dat VGZ c.s. met de belangen van Nutricia rekening dient te houden.”
samenvallen, nu VGZ c.s. en Nutricia beide aan dezelfde wederpartij (de afleveraars) zijn verbonden. Die gedachtegang acht ik niet begrijpelijk. Het geschil gaat immers - tot de kern teruggebracht - over de prijs van de dieetpreparaten van Nutricia. Ten aanzien daarvan vallen de belangen van VGZ c.s. en Nutricia allerminst samen (overigens evenmin als de belangen van Nutricia en de afleveraars dat doen); die belangen zijn juist tegengesteld: Nutricia heeft belang bij een zo hoog mogelijke prijs voor haar dieetpreparaten, terwijl VGZ c.s. belang hebben bij een zo laag mogelijke door hen aan de afleveraars te vergoeden prijs (en de afleveraars belang hebben bij een zo laag mogelijke inkoopprijs). Dat contractspartijen bij de zorgovereenkomsten (VGZ c.s. en de afleveraars) zich in gevallen als hier bedoeld mede zouden moeten laten leiden door de - commerciële - belangen van een derde (Nutricia) ligt niet voor de hand. Die gedachte verdraagt zich immers niet met de wijze waarop in een vrije markteconomie prijzen tot stand plegen te komen.
[E] / [F] [41] (rov. 3.4.3), zal de opdrachtgever in het algemeen erop mogen vertrouwen dat de onderaannemer dat doet. In zulke situaties hebben in feite alle partijen belang erbij dat de onderaannemer deugdelijk werk levert.
Vleesmeesters/Alogte omschrijven:
de wijze waarop de belangen van de derde (Nutricia) bij de overeenkomst zijn betrokkenis wat mij betreft reden om ernstig te betwijfelen of de derde redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat met haar belangen door de contractspartij (VGZ c.s.) rekening zou zouden worden gehouden. Uit ’s hofs arrest blijkt niet dat het hof deze omstandigheid in zijn oordeel heeft betrokken.
“symmetrie van belangen”ontbreekt, het overigens ook door het hof in rov. 4.23 vooropgestelde beginsel van contractsvrijheid (
“het staat hen(VGZ c.s.; LK)
in beginsel vrij met afleveraars de vergoedingen overeen te komen die hen goeddunken”) onverkort geldt en dat, voor zover het overeenkomen van de litigieuze vergoedingen jegens een buiten de contractuele relatie tussen VGZ c.s. en de afleveraars staande derde als Nutricia al onrechtmatig zou kunnen zijn, zulks slechts onder bijzondere (c.q. bijkomende) omstandigheden het geval zou zijn. Het hof zou dit laatste hebben miskend, waar het in de concluderende rov. 4.26 heeft geoordeeld dat voor het door VGZ c.s. gevoerde beleid jegens Nutricia
“onvoldoende objectieve rechtvaardiging bestaat”.
a priorijegens die fabrikanten ontoelaatbaar, maar is juist toelaatbaar, tenzij zich bijkomende of bijzondere omstandigheden voordoen die aan de bedoelde handelwijze een onrechtmatig karakter verlenen.
“zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.” [42] . Het hof, dat niet kenbaar aan alle te dezen relevante omstandigheden heeft getoetst, is ook in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan..
“grote bedrijfseconomische gevolgen”voor Nutricia heeft, als zodanig onvoldoende is voor het oordeel dat VGZ c.s. met het overeenkomen van de maximumvergoedingen in de zorgovereenkomsten met de aflleveraars onrechtmatig jegens Nutricia hebben gehandeld.
“marktpositie”van VGZ c.s. heeft toegekend. In de betrokken passage in rov. 4.26 lees ik echter niet dat het hof VGZ c.s. een (rechtens relevante) economische machtspositie heeft toegedacht. Evenmin lees ik daarin dat het hof heeft bedoeld dat op VGZ c.s. jegens Nutricia de verplichting rustte een verifieerbaar, transparant en non-discriminatoir inkoopbeleid te voeren. Naar mijn mening heeft het hof niet meer bedoeld dan dat de marktmacht van VGZ c.s. in elk geval zo ver reikt, dat het voorkeursbeleid het door het hof in rov. 4.26 veronderstelde effect kan hebben dat Nutricia haar producten slechts beneden haar
all inclusive-kostprijs kan afleveren. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
all inclusivekostprijs mogelijk zou zijn.
all inclusivekostprijzen van Nutricia, welke kostprijzen echter berusten op eigen (en noch voor VGZ c.s., noch voor de rechter verifieerbare) kostprijsberekeningen van Nutricia zelf. Voorts heeft het hof verwezen naar productie 35 van SPVD c.s., maar uit die productie blijkt niet dat de maximale vergoedingsprijzen onder de kostprijzen van Nutricia liggen; waar in die productie van kostprijzen wordt gesproken, betreft dat de kostprijzen van de afleveraars (de inkoopprijzen) en niet die van de fabrikanten. Bij die stand van zaken acht ik de de verwijzing naar de bedoelde verklaringen een te schrale motivering van het oordeel dat Nutricia tot verkoop onder haar kostprijs zou zijn gedwongen. Dat klemt temeer nu uitgangspunt niet zonder meer kan zijn dat, indien de maximumvergoedingen aan de afleveraars beneden de
all inclusivekostprijs van Nutricia liggen, Nutricia haar producten slechts onder die kostprijs kan leveren. VGZ c.s. hebben immers betoogd dat zeer wel mogelijk is dat afleveraars ervoor kiezen bij de inkoop van de producten van Nutricia een zeker verlies te nemen en dat verlies te compenseren met de marge die op andere producten wordt behaald. Het hof heeft op de bedoelde stellingen niet gerespondeerd.
all inclusivekostprijs door [G] wordt omschreven als
“alle kosten die zijn toe te rekenen aan de productie van het goed, de variabele kosten, alsmede ook een dekking voor de vaste kosten, inclusief een dekking voor de kortingen die worden verleend aan het distributiekanaal.”Volgens de beide verklaringen van [G] liggen de maximale vergoedingsprijzen onder de
all inclusivekostprijzen, welke
“conclusie (…) niet anders (wordt) als voor de berekening van de all inclusive kostprijs wordt uitgegaan van een korting voor het distributiekanaal van niet meer dan € 0,50 per flesje.”In de kostprijsberekeningen zijn de daadwerkelijk aan het distributiekanaal verleende kortingen kennelijk als onderdeel van de kostprijs verdisconteerd. De toevoeging met betrekking tot een veronderstelde korting van € 0,50 per flesje vat ik aldus op, dat bij een dergelijke korting (althans voor een of meer van de betrokken producten) het omslagpunt ligt waarop de maximale vergoedingsprijzen en de
all inclusivekostprijzen met elkaar in evenwicht zouden zijn. In zoverre heeft het hof mijns inziens ten onrechte gesproken van een aflevering beneden de
all inclusivekostprijs,
“rekening houdend met een vergoeding voor afleveraars van € 0,50 per flesje/product (max.)”. De verklaringen moeten mijns inziens juist zo worden opgevat, dat bij een
lagerevergoeding dan € 0,50 per flesje (en dus ook een lagere
all inclusivekostprijs) de conclusie van de beide verklaringen wél anders wordt en de
all inclusivekostprijs de maximale vergoedingsprijs dan niet meer (althans niet meer voor alle producten) overtreft. Kennelijk heeft het hof zich dat niet gerealiseerd, evenmin als het feit dat het niet (althans niet in alle gevallen) de variabele en vaste productiekosten, maar de aan het distributiekanaal verleende kortingen zijn, waardoor de
all inclusivekostprijzen de maximale vergoedingsprijzen overstijgen.
“alleen, althans met name”). Voorts heeft het hof de stelling dat het bedoelde motief niet bij de vaststelling van de vergoedingen voor
alleop lijst 1b vermelde producten een rol heeft gespeeld, niet verworpen, maar in het midden gelaten. Weliswaar blijkt volgens het hof uit de in rov. 4.24 genoemde brief niet dat het bedoelde motief slechts bij de vaststelling van de vergoedingen voor yoghurt- en gecontreerde drinkvoedingen een rol zou hebben gespeeld, maar is het daarvan niettemin uitgegaan (
“Wat daarvan zij, dat het voorkomen van ‘vluchtgedrag’ mede bepalend was voor de vaststelling van de maximumprijzen voor yoghurt- en gecontreerdde drinkvoedingen staat daarmee vast.”). In zoverre kan de klacht niet slagen.
“dat met die benadering (…) evenwel op geen enkele wijze rekening (wordt) gehouden met dan wel recht gedaan aan de aard, specifieke eigenschappen en kostprijs van de onderscheiden producten.”
allegeconcentreerde drinkvoedingen
dezelfdeprijs betaalde
per flesje, ongeacht de inhoud daarvan, en dat de flesjes van Nutricia een inhoud hebben van 125 ml en 300 kcal leveren, terwijl de flesjes van andere fabrikanten een inhoud van 200 ml hebben en 400 kcal leveren. Ten opzichte van de tot en met 2013 gevolgde benadering is die van 2014 objectief bezien ongetwijfeld een verbetering; in de tot en met 2013 gevolgde systematiek werd niet méér rekening gehouden met
“de aard, specifieke eigenschappen en kostprijs van de onderscheiden producten”dan in die voor 2014.
aardvan de producten wordt wel degelijk rekening gehouden, nu voor de geconcentreerde drinkvoedingen weliswaar wordt uitgegaan van de prijs van de voorkeursproducten, maar daarbij een opslag van circa 15% wordt toegepast. Overigens hebben VGZ c.s. erop gewezen dat Nutricia zelf geen onderscheid maakt tussen de AIP voor haar yoghurtdrinkvoeding en voor haar standaarddrinkvoeding Nutridrink (die voorkomt op lijst 1a), hetgeen de vraag oproept waarom VGZ c.s. bij de vaststelling van de vergoedingen dan wél (nog meer) tussen de geconcentreerde drinkvoedingen en de standaarddrinkvoedingen zouden moeten differentiëren.
specifieke eigenschappenbetreft, hebben VGZ c.s. uitvoerig gemotiveerd waarom er naar hun opvatting geen wetenschappelijke basis is voor het standpunt van Nutricia dat haar producten
“unieke eigenschappen”zouden hebben (zie in het bijzonder het als productie 23 overgelegde en met prof. [C] en een emeritus hoogleraar Voedingsleer overgelegde memo, alsmede de pleitnota van de zijde van VGZ c.s. in appel onder 8.14-8.29). Het oordeel van het hof, dat met de vaststelling van de vergoedingsprijzen op de 1b-lijst (onder meer) aan
“de (…) specifieke eigenschappen (…) van de onderscheiden producten”geen recht is gedaan, had in het licht van het bedoelde betoog van VGZ c.s. (waarop het hof niet heeft gerespondeerd) ten minste nader motivering behoefd.
kostprijsbetreft, is het verwijt van het hof dat VGZ c.s. daarmee bij de vaststelling van de vergoedingen (meer) rekening hadden moeten houden, enigszins merkwaardig, nu Nutricia zelfs in de onderhavige procedure geen volledig cijfermatig inzicht in haar kostprijzen heeft geboden.
“(h)etgeen hiervoor is overwogen omtrent de 1a en 1b lijst”, nu ook in rov. 4.18 reeds werd verwezen naar de verklaring van FHI dat de zorgverleners unaniem van mening zijn dat de vergoedingen voor niet-voorkeursproducten tot onder de kostprijs zijn gedaald en dat zij, naar zij aanvoeren, om te kunnen blijven bestaan, verplicht zijn bij de voorkeursfabrikant in te kopen. Ik neem echter aan dat in rov. 4.27 wordt verwezen naar de rov. 4.20-4.26 (waarboven het opschrift
“De 1a en 1b lijsten”is geplaatst), en meer in het bijzonder naar rov. 4.26, waarin de effecten van het voorkeursbeleid op de aflevering van andere dan voorkeursproducten aan de orde zijn.
all inclusivekostprijs, de geslaagde klachten die VGZ c.s. tegen die gevolgtrekkingen hebben gericht, óók rov. 4.27 vitiëren. Daarbij komt dat het maar de vraag is of hetgeen met betrekking tot de kostprijzen van Nutricia moet worden aangenomen, eveneens opgeld doet voor niet-voorkeursproducten van andere fabrikanten, zeker nu het hof zelf blijkens rov. 4.25, in fine, kennelijk van oordeel is dat niet alle kostprijzen over één kam mogen worden geschoren. Wat de opvattingen van de afleveraars betreft, heeft het hof in rov. 4.26 niet meer vastgesteld dan dat daaruit
“is af te leiden dat de prijzen van de producten op de 1a en 1b lijsten zodanig zijn verlaagd dat afleveraars, om verlies te beperken, voorschrijvers er - zoals door VGZ c.s. ook beoogd - maximaal toe zullen aanzetten door VGZ c.s. geselecteerde voorkeursproducten en geen andere producten meer voor te schrijven.”Dat laatste is niet hetzelfde als dat (in de woorden van rov. 4.27:)
“de vergoedingen voor de 1a lijst (niet-voorkeurs)producten zo laag zijn dat de afleveraars deze niet kunnen afleveren.”