Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] ). In verband met die uitkering heeft zich het volgende voorgedaan:
- i) Bij besluit van 24 januari 2008 heeft de Gemeente van [eiser] een bedrag van € 34.335,36 teruggevorderd vanwege volgens de Gemeente door [eiser] ten onrechte genoten Wwb-uitkeringen en toeslagen. Volgens de Gemeente heeft hij zonder daarvan melding te maken over de periode van 21 februari 2005 tot en met 22 juli 2007 werkzaamheden voor zijn broer verricht die economische waarde vertegenwoordigen.
- ii) Tegen genoemd besluit heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Bij besluit d.d. 30 juni 2009 is het bezwaar voor een deel gegrond verklaard. Van dit laatste besluit is [eiser] in beroep gegaan bij de rechtbank Haarlem, sector bestuursrecht. Bij uitspraak van 6 april 2010 heeft de bestuursrechter het besluit op bezwaar vernietigd en de Gemeente opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
- iii) In het nieuwe besluit op bezwaar d.d. 5 augustus 2010 heeft de Gemeente het bedrag, dat de Gemeente van [eiser] over genoemde periode terugvordert, verlaagd tot een bedrag van € 8.632,19.
- iv) Het beroep tegen dit nieuwe besluit op bezwaar heeft de rechtbank Haarlem, sector bestuursrecht bij uitspraak d.d. 4 februari 2011 ongegrond verklaard. Deze uitspraak wordt door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
- i) Bij vonnis van 2 augustus 2011 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd zonder hem een schone lei te verlenen. [eiser] heeft, zo stelt de rechtbank vast, gedurende de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld doen ontstaan (artikel 350 lid Pro 3, sub d, FW). De rechtbank doelt daarmee op – de hiervoor onder 1.1 vermelde – schuld aan de Gemeente.
- ii) Van het onder (i) genoemde vonnis is [eiser] in hoger beroep gegaan bij het hof te Amsterdam. In zijn arrest d.d. 22 september 2011
bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;
( [6] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [7] ).
( [8] )
( [9] )
( [10] )Doordat in de aanhef van lid 3 gesproken wordt van ‘kan intrekken’ is er geen sprake van een verplichting tot intrekken. Anders gezegd, de toestand van onverschuldigde betaling wordt door het intrekkingsbesluit in het leven geroepen. Omdat aan het toekenningsbesluit met ingang van een datum in het verleden werking wordt ontnomen, zou men kunnen stellen dat de toestand van onverschuldigde betaling met terugwerkende kracht in het leven wordt geroepen. Daarmee wordt de bijstand rechtens geacht al in het verleden onverschuldigd te zijn verstrekt.
kankosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand …”.
( [11] )( [12] )Brengt dat gegeven mee dat er toch niet gesproken kan worden van een vordering in de zin van artikel 299 lid1, met name sub a of – beter – sub b, Fw?
( [13] )
( [14] ), dat het onverschuldigd betaalde in zijn geheel wordt teruggevorderd. In geval van een bevoegdheid tot terugvorderen is er ruimte om de mate waarin het onverschuldigd betaalde wordt teruggevorderd te bepalen met in achtneming van de omstandigheden van het geval. Geven die omstandigheden aanleiding om het onverschuldigd betaalde niet of niet ten volle op te eisen, dan leidt dat tot niet meer dan tot een besluit om het uit de onverschuldigde betaling voortvloeiende recht op terugbetaling niet of niet ten volle uit te oefenen. Het voorgaande impliceert dat het terugvorderingsbesluit geen afbreuk doet aan de conclusies die hierboven in 2.4.1 en 2.4.2 met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 299 lid1 Fw in verband met het intrekkingsbesluit zijn getrokken en zelf ook niet aan die toepasselijkheid in de weg staat.
( [15] )Een en ander heeft het hof in zijn bestreden arrest miskend. Daarover wordt in subonderdeel b, althans – tweede keus – in subonderdeel a van onderdeel 1 terecht geklaagd. De klachten in subonderdeel c behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking.