Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
- in enquête: [betrokkene 6], [eiser], [betrokkene 2], [betrokkene 7] en [verweerder 2];
- in contra-enquête: [betrokkene 3], [betrokkene 8] (directeur beleggingen bij Delta Lloyd en tevens bestuurder van Cyrte), [betrokkene 9] (voorzitter van de Raad van bestuur van de Delta Lloyd Groep), [betrokkene 10] (directeur van [B]) en [betrokkene 11] (senior partner bij Greenfield Capital Partners).
verklaringen van [eiser]zelf, zoals notarieel vastgelegd op 20 februari 2009 en door hem als getuige afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 5 november 2009, die onder meer inhouden:
verklaringen van [betrokkene 6], zoals notarieel vastgelegd op 20 februari 2009 en door hem als getuige afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 5 november 2009, die onder meer inhouden dat hij op 20 mei 2008 tijdens een autorit een telefoongesprek tussen [eiser] en [verweerder 2] heeft meegeluisterd, welk gesprek plaatsvond over de speaker, en:
verklaringen van [betrokkene 2], zoals notarieel vastgelegd op 19 februari 2009 en door hem als getuige afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 5 november 2009, die onder meer inhouden:
verklaringen van [betrokkene 7]. zoals notarieel vastgelegd op 19 februari 2009 en zoals door hem als getuige afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 5 november 2009, die onder meer inhouden:
verklaring van [betrokkene 17], van 21 september 2011, die onder meer inhoudt dat hij op 10 september 2008 een bijeenkomst had met [eiser], [verweerder 2] en een aantal anderen in het restaurant De Goede Gooier in Blaricum, dat hij na afloop van de bespreking buiten stond en:
verklaring van [betrokkene 13], door hem als getuige afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 25 april 2012, waarvan het volgende:
verklaring van [betrokkene 19], zoals notarieel vastgelegd op 12 november 2010, die onder meer inhoudt:
"Je kent toch mijn deal met [eiser], jullie hebben toch alleen maar de upside", hij gedoeld kan hebben, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, op zijn toezegging aan [eiser] om de aandelen TMG te kopen als Cyrte een openbaar bod zou doen. Daarbij hebben Cyrte c.s. erop gewezen dat [betrokkene 2] de verkoopoptie ook niet heeft genoemd in zijn telefoongesprek met [betrokkene 3] op 11 augustus 2008, terwijl zulks in dat gesprek, nu dat ging over het negatieve koersverloop van de aandelen TMG, wel zeer voor de hand zou hebben gelegen.
"TMG opportunity"gedateerd 29 oktober 2007.
"Cyrte PEPT team strategie plan summary"van 31 januari 2008 volgt dat het van de beurs halen van TMG als een serieuze mogelijkheid werd gezien Deze presentatie biedt een overzicht van de werkzaamheden van de groep binnen Cyrte die verantwoordelijk zijn voor de "Private Equity and Portfolio Transactions" (PEPT). Op de vierde pagina is een overzicht gegeven van onder meer vijf
"Potential new deals". Als één daarvan is vermeld "TMG". Tevens is daarbij aangegeven
"Value creation after ptp", waarbij met "ptp", naar Cyrte c.s. niet hebben betwist, wordt bedoeld
"public to private"ofwel het van de beurs halen van TMG.
Restated Shareholders Agreementvan 12 oktober 2009 tussen Cyrte en een aantal andere investeringsmaatschappijen, waarin onder meer afspraken zijn neergelegd over de investering in aandelen TMG door tussenkomst van een daarvoor opgerichte vennootschap Dasym Investments II B.V. (hierna te noemen Dasym). De investeringen in Dasym en de doelstellingen van Dasym ten aanzien van de door haar te kopen aandelen TMG waren al in hoofdlijnen in augustus /september 2008 tussen partijen, waaronder Cyrte, overeengekomen, zoals uit het door [eiser] ingebrachte vertrouwelijke document
"Samenvatting & Update Tommie"van 11 mei 2009 volgt (
Tommiewas de codenaam voor TMG).
"Recording of mobile phone calls is feasible, has been tested and works in practice. ", maar zij laat na te melden dat in de daaropvolgende paragraaf ook is vermeld:
"But given that the solutions for mobile telephone recording are new, almost no financial services company uses them as yet and few firms are aware of the costs of these solutions"met vervolgens een toelichting op de prohibitieve kosten van het opnemen van mobiele gesprekken. Dit rapport is aldus onvoldoende om aan te nemen dat Cyrte destijds gesprekken mobiel naar mobiel heeft opgenomen. [eiser] heeft er in dit verband ook nog op gewezen dat Cyrte c.s. een transcriptie hebben overgelegd van een telefoongesprek van 31 oktober 2008 dat gevoerd is tussen [verweerder 2] met een mobiele telefoon en [betrokkene 7] met eveneens een mobiele telefoon, zulks ter onderbouwing van zijn stelling dat mobiel gevoerde gesprekken door Cyrte wel degelijk werden opgenomen. Zoals [eiser] echter ook zelf over dat telefoongesprek meldt, belde [verweerder 2] naar zijn secretaresse op kantoor, die vervolgens [betrokkene 7] belde en [verweerder 2] met hem doorverbond. Aldus vond dat gesprek plaats van mobiel ([verweerder 2]) naar een vaste lijn (zijn secretaresse bij Cyrte) naar mobiel ([betrokkene 7]). Doordat het gesprek aldus heeft gelopen via een vaste lijn van Cyrte is verklaarbaar waarom dat gesprek is opgenomen en derhalve geen reden om aan te nemen dat gesprekken mobiel naar mobiel werden opgenomen. Nu de gesprekken tussen [verweerder 2] en [betrokkene 2] plaatsvonden mobiel naar mobiel, en aangenomen moet worden dat deze niet zijn opgenomen, kan derhalve ook van deze gesprekken niet worden gezegd dat Cyrte c.s. verwijtbaar niet aan de veroordeling hebben voldaan.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Stichting Finkenburgh/Van Mansum. In die zaak ging het om een geschil tussen de ontwerper (Van Mansum) en de fabrikant (Finkenburgh) van kinderveiligheidsgordels en kinderzitjes voor auto’s. Partijen hadden in een overeenkomst een werkverdeling afgesproken waarbij de fabrikant ervoor zou zorgen dat de producten aan bepaalde veiligheids- en kwaliteitseisen zou voldoen, terwijl de ontwerper verantwoordelijk zou zijn voor de research en ontwikkeling. Toen de kindergordels in een vergelijkend warenonderzoek als onvoldoende veilig uit de bus kwamen, entameerde de ontwerper een procedure tegen de fabrikant waarin hij zich op het standpunt stelde dat er sprake was van wanprestatie. De fabrikant betwistte dat. Van Mansum droeg bewijs aan van zijn stelling. Het hof onderscheidde vier vormen van beweerde wanprestatie en evalueerde vervolgens het door partijen aangedragen bewijs als volgt:
Stichting Finkenburgh/Van Mansum. De klacht dat het bestreden arrest niet voldoet aan hetgeen minimaal van een rechterlijke beslissing mag worden verlangd, waarmee de kwaliteit van de Nederlandse rechtspleging in het geding zou zijn [12] , berust dus op een onjuiste rechtsopvatting en ontbeert anders feitelijke grondslag. [eiser] brengt in dit verband nog een aantal rechtsvergelijkende argumenten naar voren [13] , maar daarin zie ik geen aanleiding om hier anders over te denken. De door [eiser] beschreven en aan Duitse literatuur ontleende maatstaf, namelijk dat de rechter in Nederland zijn bewijsbeslissing begrijpelijk en toereikend dient te motiveren en daartoe zonder in groot detail te treden in elk geval de kernargumenten voor zijn beslissing op een logisch navolgbare wijze te verantwoorden, zonder dat dit neerkomt op een louter algemene motivering die geen relatie legt met de bewijsmiddelen, verschilt volgens mij niet wezenlijk van de hiervoor omschreven maatstaf uit het arrest
Stichting Finkenburgh/Van Mansum.