Conclusie
Inleiding
Het cassatiemiddel
omdat[verweerder] geen erfpachter van de strook is geweest, hetgeen juist is, en
dus ook geen houder, hetgeen niet strookt met het kennelijke oordeel van het hof in rov. 4.5 dat [verweerder] houder was van de strook. De conclusie moet naar mijn oordeel derhalve zijn dat rov. 4.6 in zoverre reeds onbegrijpelijk is.
dusook geen sprake was van houderschap. Zoals hiervoor onder 11 aangegeven kan ook sprake zijn van houderschap zonder vooraf beoogde rechtsverhouding. Het oordeel van het hof dat het interversieverbod van art. 3:111 BW Pro niet gold, geeft eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van rov. 4.5 waar het hof kennelijk nog oordeelde dat [verweerder] houder van de strook was. Voor zover het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat het verbod van interversie niet geldt in een geval als het onderhavige omdat hier sprake zou zijn van een handeling van degene voor wie men houdt als bedoeld in art. 3:111 BW Pro (in welk geval overigens gesproken zou moeten worden van een uitzondering op het interversieverbod), geeft het oordeel van het hof eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu de handeling van de gemeente voor wie [verweerder] de strook hield uitsluitend het perceel en niet de strook betrof. In zoverre slaagt het in de onderdelen 1 t/m 3 vervatte betoog.