Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
subonderdelen b.2 tot en met b.5richten zich vervolgens tegen rov. 3.7 van het bestreden arrest, waarin het hof uitleg geeft aan artikel 7 lid 3 AV Pro. Deze uitleg luidt als volgt:
allevoorzieningen kan treffen die noodzakelijk zijn om het daarin genoemde gevaar voor schade en veiligheid te voorkomen, nu volgens het subonderdeel toch ook een zodanige bevoegdheid is onderworpen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof diende daarom te onderzoeken en vast te stellen of Lelystad Haven met inachtneming van die beginselen heeft gehandeld, welk onderzoek en welke vaststelling ontbreken, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel b.3klaagt dat als zodanig handelen niet kan gelden de
sloopvan het schip nadat dit op de wal is geplaatst. Daartoe wordt aangevoerd dat artikel 7 lid 3 AV Pro uitsluitend ziet op de situatie
inhet water. Op die laatste grond klaagt
subonderdeel b.4dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte overweegt “
De voorzieningen kunnen naar het oordeel van het hof de verwijdering en de sloop van een schip betreffen mits de verwijdering en de sloop noodzakelijk zijn om voornoemd gevaar voor schade te voorkomen”.
Subonderdeel b.5ten slotte, klaagt dat nu het schip reeds uit het water getakeld was, artikel 7 lid 3 AV Pro rechtstreekse toepassing mist en niet als rechtsgrondslag voor sloop kan worden aanvaard, zodat het hof in rov. 3.7 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans –toepassing.
sloopvan het schip over te gaan immers niet gebaseerd op art. 7 lid 3 AV Pro, maar op de figuur van zaakwaarneming, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de rov. 3.11 en rov. 3.12 tot en met 3.20. Ten aanzien van subonderdeel b.2 kan hieraan nog worden toegevoegd dat, nog daargelaten dat de (feitelijke) uitleg van een contractsbepaling niet met een rechtsklacht kan worden bestreden, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit reeds besloten liggen in de formulering dat Lelystad Haven alle voorzieningen kan treffen die
noodzakelijkzijn om het genoemde gevaar te voorkomen, en dat het hof bij de toetsing van de rechtmatigheid van de
bergingvan het schip in rov. 3.8 tot en met 3.10 klaarblijkelijk ook van deze beginselen is uitgegaan.
ookop grond van art. 7 lid Pro 3”), maar tevens op zaakwaarneming (“redelijke” resp. “voldoende grond”). De in het subonderdeel geciteerde zin “
Als er sprake is van een geval van zaakwaarneming dan begrijpt geïntimeerde niet – gelet op de definitie van zaakwaarneming – de stelling van appellant dat het slechts zou gaan om een retentierecht zijdens geïntimeerde” [12] impliceert, anders dan het subonderdeel wil doen voorkomen, niet dat Lelystad Haven zich niet (langer) op zaakwaarneming heeft willen beroepen. Deze zin moet immers klaarblijkelijk worden begrepen als reactie op de stelling van [eiser] dat indien Lelystad Haven een vordering heeft uit hoofde van zaakwaarneming (in [eiser]’ opvatting heeft zij deze inderdaad, zij het uitsluitend wegens het
lichtenvan het schip), zij ter zake slechts een retentierecht heeft op de voet van art. 6 AV Pro en zij niet zonder de in lid 2 van die bepaling voorgeschreven procedure te volgen tot verkoop (aan een sloper) mag overgaan. [13]
subonderdelen b.7 tot en met b.7.7gaan uit van de (terecht gebleken) veronderstelling dat het hof de rechtsgrond zaakwaarneming in zijn oordeelsvorming mocht betrekken. Deze subonderdelen richten zich kennelijk (hoofdzakelijk) tegen rov. 3.17, die luidt:
inhet water bevindt – moet het ook falen, nu deze opvatting niet als juist kan worden aanvaard.
Subonderdeel b.7.3bestrijdt dat de omstandigheid dat het schip vanwege zijn waarde onvoldoende verhaal biedt voor de kosten, die sloop kan rechtvaardigen. In
subonderdeel b.7.4wordt vervolgens geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft vastgesteld dat [eiser] de stelling dat besparing van verdere kosten de sloop kan rechtvaardigen, niet heeft bestreden.
Subonderdeel b.7.5, eerste volzinklaagt dat het hof derhalve zijn oordeel in rov. 3.17 onvoldoende heeft gemotiveerd.
behartiging van een belang van een anderheeft ingelaten. Voorts drukt “willens en wetens” uit dat de handelende het belang van de ander moet hebben
willenbevorderen. Er is geen sprake van zaakwaarneming als men meent eigen belangen te dienen, maar daarbij in werkelijkheid de belangen van anderen dient. De omstandigheid dat de zaakwaarnemer met zijn handelen mede zijn eigen belang dient, sluit de toepasselijkheid van de bepalingen betreffende zaakwaarneming echter niet uit. [14] In de literatuur wordt voormelde bedoeling gescheiden van het motief achter de zaakwaarneming (de drijfveer voor het optreden): er is geen zaakwaarneming als men uitsluitend handelt met de bedoeling eigen belangen te behartigen, maar er kan wel zaakwaarneming zijn als men uit een louter egoïstisch motief heeft gehandeld. [15] Dit brengt mee dat het “willens en wetens” niet zozeer betekent dat het handelen (mede) moet zijn ingegeven door de
wenshet belang van de ander te dienen, maar vooral dat men bij het handelen moet hebben
geweten(ook) het belang van de ander te dienen. [16]
redelijke grondvoor het ingrijpen in eens anders belang aanwezig is. [17] Deze eis dient ertoe de zaakwaarneming af te bakenen van een lichtvaardig opdringen van diensten en van een te vergaande inmenging in andermans privé-aangelegenheden. [18] De toelichting vermeldt daarbij:
kanrechtvaardigen en daarmee een redelijke grond
kanvormen voor zaakwaarneming – zoals het hof dat in rov. 3.17 heeft overwogen alvorens dit in rov. 3.18 en 3.19 voor het onderhavige geval concreet te toetsen – is een rechtsoordeel, waarbij niet relevant is of [eiser] dit heeft bestreden of niet.
Subonderdeel b.7.4faalt derhalve bij gebrek aan belang.
subonderdelen b.7.2, b.7.3en
b.7.5, eerste volzin.
subonderdelen b.7.2 (tweede volzin) en b.7.3 (tweede volzin)zich
voortsnog keren tegen de bepaling door het hof van de (resterende) waarde van het schip, falen zij eveneens. Voor de gronden waarop wordt verwezen naar de behandeling van subonderdeel b.7.5 (voor het overige) in 2.21-2.22 hieronder.
subonderdeel b.7.3 voortsnog betoogt dat in hoger beroep slechts nog ter toetsing voorlag of een bedrag van € 2.500,- aan sloop- en bergingskosten toewijsbaar bleef, faalt het ten slotte ook. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 19 september 2012 immers weliswaar de sloop- en bergingskosten ten aanzien van de
binnen de ondernemingvan Lelystad Haven werkzame personen toegewezen tot een bedrag van € 2.500,- (rov. 4.3), maar hij heeft ook kosten die betrekking hebben op aanvullende facturen met betrekking tot het verwijderen van chemisch afval/vervuild hout (rov. 4.2) en andere externe facturen (rov. 4.4) toegewezen.
voortsnog tegen rov. 3.19, waarin de kantonrechter onderzoekt welke waarde het schip had toen tot sloop werd beslist. Het richt zich hier tegen de derde tot en met de vijfde volzin van rov. 3.19:
Dat water schadelijk is voor de motor en genoemde installaties is door [eiser] niet betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat het rapport in combinatie met de overgelegde foto's genoegzaam aantonen dat de motor, de elektrische installatie en het hydraulisch stuursysteem als verloren moeten worden beschouwd. Aan de stelling van [eiser] dat het schip door het ondeskundig lichten daarvan ernstig is beschadigd, gaat het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Lelystad Haven, als onvoldoende onderbouwd voorbij.Naar het oordeel van het hof heeft Lelystad Haven met het taxatierapport aangetoond dat de dagwaarde van het schip als nihil moet worden beschouwd.” (cursivering toegevoegd)
voortsnog dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door niet te toetsen of de sloop in het belang of ten nutte van [eiser] was, en niet tegen zijn (uitdrukkelijke) wil is geschied.
subonderdeel b.8heeft geen zelfstandige betekenis en moet het lot delen van de voorafgaande subonderdelen.
uitvoeringvan de zaakwaarneming geen sprake is. Het faalt dan ook.