Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
combinatievan de alcoholverslaving en de persoonlijkheidsstoornis een voor de toepassing van deze wet relevante stoornis van de geestvermogens kan opleveren en, daarnaast, op het vereiste gevaar.
Kamerstukken II, 1979/80, 11 270). De gedachte van de wetgever was dat betrokkene als het ware willoos werktuig in handen van de stoornis zou moeten zijn, waarbij de toerekenbaarheid voor het gevaar is vervallen, wil er sprake kunnen zijn van een geestesstoornis (zie ook de uitgebreide toelichting op het stoornisbegrip in R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Wet bopz, praktijkreeks Bopz, nr. 8). Deze gedachte bracht mee dat gevaar dat voortvloeide uit middelenafhankelijkheid (verslaving) of een persoonlijkheidsstoornis niet als een geestesstoornis kon worden gekwalificeerd, tenzij de stoornis ‘de gevaarvolle daden overwegend zou beheersen’. Aangezien tegenwoordig verslaving als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen ‘echte’ psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd. Dit hangt ook samen met het ruimere arsenaal aan interventies op het terrein van de zorg die op grond van het wetsvoorstel mogelijk zijn.”
klacht onder ahoudt in dat de aangehaalde overweging niet impliceert dat de alcoholverslaving gepaard gaat met een psychische stoornis van een zodanige ernst dat
door deze stoornis(en niet slechts door het gebruik van alcohol) de geestvermogens van betrokkene zo ingrijpend worden beïnvloed dat het door deze stoornis veroorzaakte gevaar hem niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden overwegend beheerst. Deze klacht gaat niet op, om dezelfde reden als besproken bij onderdeel 1.1. Anders dan de
klacht onder bveronderstelt, behoefde de rechtbank – om haar beslissing begrijpelijk te doen zijn – niet in te gaan op de vraag of bij betrokkene sprake is van een aantasting van de fysiologische integriteit van de hersenen. Het antwoord op die vraag kan van belang zijn in gevallen waarin een ver voortgeschreden alcoholverslaving (bijvoorbeeld bij het syndroom van Korsakov) als grond voor vrijheidsbeneming wordt aangevoerd, zonder dat sprake is van samenloop met andere psychische aandoeningen die het uiteindelijk resultaat mede bepalen. In dit geval is de rechtbank, zoals gezegd, uitgegaan van een persoonlijkheidsstoornis die oordeels- en kritiekstoornissen tot gevolg heeft die, in combinatie met de alcoholverslaving, het handelen van betrokkene overheersen en betrokkene gevaar doen veroorzaken.