Conclusie
Klacht 1dient ter inleiding en mist zelfstandige betekenis. Indien deze klacht is gericht tegen de toepassing van art. 149 lid 1 Rv Pro door het hof, is zij onvoldoende uitgewerkt om als cassatiemiddel in de zin van art. 407 lid 2 Rv Pro te kunnen dienen.
Klacht 2houdt in dat het hof een deskundige had behoren aan te wijzen om te kunnen beoordelen of de tandheelkundige behandeling naar behoren is uitgevoerd. Deze klacht stuit af op de vaststelling van het hof dat de patiënte in hoger beroep nog steeds niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt in welk opzicht de tandarts volgens haar is tekort geschoten (rov. 3.13 in samenhang met rov. 3.11 – 3.12). Omdat niet aan de stelplicht was voldaan kwam het hof niet toe aan een bewijsoordeel noch aan de benoeming van een deskundige.
Klacht 3houdt in dat het hof in de slotzin van rov. 3.13 zich heeft vergist: de (in rov. 2.7) genoemde vermindering met € 1.224,40 heeft betrekking op andere tandartsbehandelingen. In de redenering van het hof gaat het om een overweging ten overvloede, zodat de patiënte belang mist bij deze klacht: wordt de overweging vanaf “mede in aanmerking genomen …” geschrapt, dan blijft de slotsom dezelfde. Naar aanleiding van een creditnota van de tandarts heeft ONVZ het eigen risico en de maximumvergoeding herberekend; dit heeft geleid tot een verrekening in de inleidende dagvaarding [1] .
Klacht 4is kennelijk gericht tegen rov. 3.16 – 3.17. Hierin heeft het hof in reactie op de derde grief een verklaring gegeven voor het verschil tussen het door de tandarts gedeclareerde bedrag en het door de patiënte genoemde bedrag van € 220,50 (per kroon). Volgens het hof is laatstgenoemd bedrag exclusief techniek- en materiaalkosten die de tandarts in rekening mocht brengen. Het middelonderdeel klaagt dat niet duidelijk is waarom het hof van oordeel is dat een gedeclareerd bedrag van (in totaal) € 1.693,90 niet gespecificeerd behoefde te worden. Deze motiveringsklacht faalt. Volgens het hof is de patiënte niet meer ingegaan op de toelichting van ONVZ dat het gedeclareerde bedrag (bedoeld zal zijn: de techniek- en materiaalkosten) niet uitzonderlijk is voor een behandeling als die, welke de patiënte heeft ondergaan. Daaruit is voor de lezer kenbaar waarom het hof het standpunt van ONVZ en niet dat van de patiënte heeft gevolgd. In de rechtsverhouding tussen de patiënte en de tandarts geldt bovendien het bepaalde in art. 7:405 lid 2 BW Pro.
Klacht 5houdt in dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een medische behandeling van ingrijpende aard. De klacht houdt kennelijk verband met hetgeen het hof in rov. 3.2 – 3.5 heeft overwogen. In de rechtsbetrekking tussen de patiënte en de tandarts geldt het bepaalde in art. 7:450, 7:451, 7:461 en 7:466 lid 2 BW. In discussie was niet of de tandarts in strijd met art. 7:450 BW Pro de patiënte zonder haar toestemming heeft behandeld, maar of de behandeling is uitgevoerd zonder medische noodzaak (nl. voor een cosmetisch doel) en zonder behandelingsplan althans begroting van de daaraan verbonden kosten, in welk geval ONVZ volgens de patiënte niet tot betaling aan de tandarts had mogen besluiten. Het hof heeft de behandeling aangemerkt als medisch noodzakelijk en voor het vergoeden van deze kosten door ONVZ aan de tandarts niet beslissend geacht of tevoren een
schriftelijkebehandelingsovereenkomst was gesloten en/of een kostenbegroting was gemaakt. Dat oordeel is niet rechtens onjuist. ONVZ schoot slechts de kosten voor.
Klacht 6houdt in dat het hof voorbij gaat aan het verweer ter zitting in appel dat de declaratie van de tandarts niet voldeed aan een voorschrift van de Nederlandse Zorgautoriteit omdat de vermelde codes en tarieven niet in overeenstemming waren met de in werkelijkheid uitgevoerde behandeling [2] . Deze motiveringsklacht mist feitelijke grondslag omdat het hof die kwestie kennelijk heeft meegenomen; zie rov. 3.3, 3.8, 3.12 en 3.13.
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.