Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Verkoper[ [verweerster] , toevoeging A-G]
heeft blijkens een met koper[ [eiseres] , toevoeging A-G]
aangegane koopovereenkomst onder voorbehoud van het hierna te vestigen recht van gebruik en bewoning aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:
primair:
subsidiair:
2.Beoordeling van het cassatieberoep
niet allesheeft gekregen waarop zij op grond van de overeenkomst recht heeft (
subonderdeel 1.1). Indien het hof heeft miskend dat de vraag naar de verjaring van een vordering tot nakoming die tevens als herstelvordering kwalificeert, beantwoord moet worden op grond van art. 3:311 lid 1 BW Pro, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 3:311 lid 1 BW Pro gaat immers als speciesbepaling vóór op het algemene art. 3:307 lid 1 BW Pro (
subonderdeel 1.2). Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu het niet (kenbaar) is ingegaan op het essentiële beroep van [eiseres] op de toepasselijkheid van art. 3:311 lid 1 BW Pro (
subonderdeel 1.3). Indien het hof ervan is uitgegaan dat in dit geval geen sprake is van een herstelvordering als bedoeld in art. 3:311 lid 1 BW Pro omdat de vordering tot levering van perceel [0001] ziet op een verbintenis die in het
geheel nietis nagekomen, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel moet de vraag of sprake is van een herstelvordering in de zin van art. 3:311 lid 1 BW Pro immers (in beginsel) worden beantwoord aan de hand van de vraag of de vorderingsgrondslag van eiser inhoudt dat door gedaagde
niet geheelis voldaan aan diens verplichtingen op grond van een overeenkomst, waarbij (in beginsel) niet van belang is of de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen als één of meerdere verbintenissen moeten worden gezien. Indien het hof op dit uitgangspunt een uitzondering heeft aangenomen, heeft het dit oordeel onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 1.4). Indien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de vordering ziet op een
afzonderlijkeverbintenis die in het
geheel nietis nagekomen, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is het onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘verbintenis’ is sprake indien het hof heeft geoordeeld dat een overeenkomst die tot levering van meerdere zaken (of in het bijzonder meerdere kadastrale percelen) verplicht steeds evenzovele verbintenissen in het leven roept, en niet evengoed één verbintenis tot levering van meerdere zaken kan inhouden. In ieder geval is het oordeel van het hof dat de verplichting tot levering van perceel [0001] een afzonderlijke verbintenis inhoudt, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu [eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat zij op grond van de koopovereenkomst met [verweerster] recht heeft op levering van “ [pand A] ”, welk gekochte
één geheelvormt, inclusief perceel [0001] (
subonderdeel 1.5).
gepresteerd. Waar art. 3:307 lid 1 BW Pro in beginsel betrekking heeft op vorderingen tot nakoming van een contractuele verbintenis in het algemeen, ziet art. 3:311 lid 1 BW Pro kennelijk op vormen van
nadere nakoming, nadat aanvankelijk is
gepresteerd, zij het non-conform c.q.
ondeugdelijk. Wanneer de nakoming op enigerlei wijze niet beantwoordt aan de overeenkomst, bijvoorbeeld omdat gebrekkig is gepresteerd, dan heeft de schuldeiser recht op nadere nakoming in de vorm van herstel of vervanging. Eveneens is aannemelijk dat indien te
weinigis gepresteerd, de nadere nakoming strekt tot aflevering van het ontbrekende. [23] Dat brengt mee dat het toepassingsgebied van art. 3:307 lid 1 BW Pro beperkt is tot gevallen waarin in het geheel
niet is gepresteerd. [24]
nietdan wel
gebrekkigis gepresteerd, hetgeen afhankelijk is van (uitleg van) de inhoud van de contractueel toegezegde prestatie. Als gezegd dient in cassatie veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dat de koopovereenkomst tussen partijen betrekking had op de beide percelen [0002] en [0001] . Niet in geschil is dat het verlijden van de akte van levering d.d. 9 mei 2001 strekte ter nakoming van de verplichtingen van [verweerster] uit die overeenkomst. In dat licht is het zonder nadere motivering niet begrijpelijk indien het hof van oordeel is geweest dat door het wel leveren van perceel [0002] en het niet leveren van perceel [0001] in het
geheel nietter uitvoering van de veronderstelde overeenkomst is gepresteerd. Daarbij merk ik op het in dit geval gekunsteld te vinden om te spreken van twee afzonderlijke verbintenissen, waarvan de ene wel en de andere niet zou zijn nagekomen. Indien het hof van oordeel is geweest dat met het verlijden van de leveringsakte betreffende uitsluitend perceel [0002] wel, zij het gebrekkig, is gepresteerd, maar op de rechtsvordering tot herstel van de daaruit voortvloeiende tekortkoming niet art. 3:311 lid 1 BW Pro van toepassing is, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. De hierop gerichte klachten van onderdeel 1 treffen naar mijn mening doel.
deelbareprestatie, het hierboven geschetste tweefasensysteem geen toepassing behoort te vinden en de rechtsvordering tot nakoming van het niet-verrichte deel van de prestatie exclusief door art. 3:307 lid 1 BW Pro beheerst blijft worden, ook nadat gedeeltelijk is gepresteerd; of, anders gezegd, dat art. 3:311 lid 1 BW Pro niet van toepassing is op een rechtsvordering tot nakoming van het niet-verrichte deel van een deelbare en gedeeltelijk verrichte prestatie. Evenals een crediteur, als contractant, verondersteld wordt ervoor te zorgen van de opeisbaarheid van zijn vordering en de persoon van de debiteur op de hoogte te zijn [25] , ligt het op zijn weg om het voortbestaan c.q. de omvang van zijn vordering in de gaten te houden in die zin dat hij dient te verifiëren of
alle onderdelenvan de deelbare prestatie geleverd zijn en, zo dit niet het geval is, tijdig binnen vijf jaar na opeisbaarheid actie te ondernemen. Het is immers eenvoudiger om te zien of een deelbare prestatie geheel is geleverd, dan het is om te zien of een ondeelbare prestatie zonder gebreken is geleverd, zo zou de gedachte kunnen zijn.
op zijn vroegst vanaf eind 2005, na het vertrek van [verweerster] , als bezitter van perceel [0001] kan worden aangemerkt”.Het omvat twee klachten.
eersteklacht berust op de lezing dat het hof hierbij als uitgangspunt heeft genomen dat [verweerster] bezitter van de overlap is gebleven op grond van haar recht van gebruik en bewoning. Zij luidt dat het hof in dat geval heeft miskend dat de feitelijke uitoefening van dit recht geen bezit oplevert van de zaak waar het recht van gebruik en bewoning op rust.
tweedeklacht is genoemd oordeel (althans) onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiseres] heeft gesteld dat zij zich sinds 9 mei 2001 als eigenaar van zowel perceel [0001] als [0002] beschouwde en bezitsdaden heeft gesteld ten aanzien van de overlap.
“niet gesteld of gebleken is dat zij haar goede trouw baseert op een inschrijving in de openbare registers.”