ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2340
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- A. Smeeïng-van Hees
- V. van den Brink
- A.M.C. Groen
- Rechtspraak.nl
Verjaring en afwijzing vordering tot overdracht aandelen na ontbinding vennootschap
In deze zaak staat centraal of de vordering van de vereffenaar tot afgifte van een volmacht voor de juridische overdracht van aandelen is verjaard. De aandelen betroffen een inbrengovereenkomst van 14 oktober 1999, waarbij de juridische overdracht nog moest plaatsvinden. De vennootschap was op 16 december 2003 ontbonden en de vereffening heropend op 26 juni 2006.
Het hof oordeelt dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:307 BW Pro van toepassing is en dat deze termijn is verlengd gedurende de periode dat de vennootschap niet bestond (artikel 2:23c BW). De verjaringstermijn liep daardoor tot 26 december 2006. De vereffenaar heeft zich pas na deze termijn tot de appellant gewend, zodat de vordering verjaard is.
De vereffenaar stelde dat het beroep op verjaring onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede omdat de economische overdracht al had plaatsgevonden en de juridische overdracht onherroepelijk was toegezegd. Het hof verwerpt dit en benadrukt dat de juridische en economische overdracht gescheiden zijn en dat de wettelijke verjaring in deze situatie niet onredelijk is.
Verder oordeelt het hof dat geen sprake is van stuiting van de verjaring en dat de e-mail van 2 april 2007 geen erkenning van het recht inhoudt. Ook zijn de stellingen van de vereffenaar over reeds verleende machtigingen onvoldoende om de vordering te dragen. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen af, met veroordeling van de vereffenaar in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de vereffenaar af wegens verjaring van de nakomingsvordering tot overdracht van aandelen.