Conclusie
1.Feiten en procesverloop
dataansprakelijkheid daarvan het gevolg zou zijn; slechts dat zij niet op voorhand kan worden uitgesloten.
3.Bespreking van de klachten
Onderdeel 1betoogt dat de Rechtbank miskend heeft dat het hoger beroep niet uitsluitend strekt tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. De Rechtbank heeft derhalve ten onrechte uitsluitend beoordeeld of de rechter-commissaris op 19 december 2014 een juiste beslissing heeft genomen, terwijl de Rechtbank (ook) had moeten beoordelen of het handelen van de curator juist was, dus of de curator een overeenkomst met de Bank heeft gesloten die in het belang van de boedel en de gezamenlijke schuldeisers is, zoals door de Ontvanger in hoger beroep aan de orde gesteld (vgl. rov. 3.1 van de bestreden beschikking). Bovendien heeft de Rechtbank blijkens r.o. 6.3 ten onrechte niet geoordeeld naar de toestand zoals die zich voordeed ten tijde van zijn beslissing.
onderdeel 2heeft de Rechtbank met de onder 3.1 genoemde oordelen voorts miskend dat haar taak als appelrechter was om het beleid van de curator, in het bijzonder het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige, in volle omvang te toetsen. Mede blijkens de in het verzoekschrift gecursiveerde passages en gelet op het feit dat de Rechtbank niet is ingegaan op de door de Ontvanger aangevoerde essentiële stellingen als in onderdeel 3 weergegeven, heeft de Rechtbank ten onrechte niet in volle omvang getoetst of het aangaan door de curator van de onderhavige overeenkomst in het belang is van de boedel en de gezamenlijke schuldeisers.
onderdeel 3heeft de Rechtbank zijn (bedoeld zal wel zijn: haar) oordelen in rov. 6.2-6.4, in het bijzonder de slotsom in rov. 6.4, onvoldoende gemotiveerd omdat zij in het geheel niet (kenbaar) is ingegaan op de volgende twee essentiële (kern) stellingen die de Ontvanger ten grondslag heeft gelegd aan zijn betoog dat de overeenkomst niet in het belang is van de boedel en de gezamenlijke schuldeisers. Kort weergegeven gaat het om de volgende twee stellingen:
onderdeel 3is wellicht enige twijfel mogelijk. Het is juist dat de Rechtbank niet met zoveel woorden op die stellingen ingaat. De vraag is evenwel gewettigd of zij daartoe gehouden was en, zo ja, wat zij dan meer had kunnen en moeten zeggen dan in de bestreden beschikking is te lezen. M.i. is het oordeel van de Rechtbank tegen de toets der kritiek bestand, wat hierna wordt toegelicht.
waaromdeze disproportioneel zou zijn en wat, in de visie van de Ontvanger, een beter alternatief zou zijn was geweest. Daarom voldoet ook deze klacht m.i. evenmin aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.