ECLI:NL:PHR:2015:581

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
11 mei 2015
Zaaknummer
14/02103
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 328 SvArt. 315 SvArt. 415 SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoeken tot horen getuigen in medeplegen diefstalzaak

De verdachte werd door het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van diefstal waarbij braak werd gepleegd. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte verzoeken tot het horen van drie getuigen had afgewezen, die mogelijk ontlastende verklaringen konden afleggen.

De verzoeken betroffen onder meer getuigen die konden verklaren over de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde en de betrouwbaarheid van belastende verklaringen van een medeverdachte. Het hof oordeelde dat de verzoeken onvoldoende waren onderbouwd en dat er geen noodzaak was om deze getuigen te horen, mede omdat sommige getuigen reeds door de raadsheer-commissaris waren gehoord.

De Hoge Raad toetst in cassatie slechts de begrijpelijkheid van het hofbesluit en niet de feitelijke juistheid. De conclusie is dat het hof het juiste criterium toepaste, de beslissing begrijpelijk motiveerde en dat de verzoeken niet voldoende concreet en gemotiveerd waren. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 36 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 14/02103
Zitting: 10 maart 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 maart 2014 de verdachte wegens primair “medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (nummer 14/01768) en [medeverdachte 2] (nummer 14/02126), in welke zaken ik eveneens vandaag concludeer.
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelkomt op tegen de afwijzing door het Hof van de verzoeken tot het horen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige.
5. Bij de stukken bevindt zich een fax van mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, raadsman van verdachte, welke op 6 maart 2014 is binnengekomen bij het Hof en – voor zover relevant – inhoudt:
“Met referte aan bovengenoemde zaak, bij u bekend onder vermeld parketnummer, zal op 17 maart a.s. de regiezitting plaatshebben in welk verband ik u op voorhand verzoek om te dienende dage dan wel tegen de datum en tijdstip dat de zaak inhoudelijk zal worden behandeld, de navolgende noodzakelijke geachte onderzoekswensen in te willigen.
Het oproepen van de navolgende personen teneinde alsdan en aldaar als getuigen te worden gehoord:
(…)
3.
de heer [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1958 en wonende te [woonplaats];
4.
[betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1973 en wonende te [woonplaats];
Toelichting ad 3 en 4:
Beide personen kunnen naar verwachting verklaren omtrent hetgeen al dan niet zou zijn verteld door cliënt tegen diens opa en oma in de woning tijdens het brengen dan wel het ophalen van de Monstrans naar/van hen woning. [betrokkene 2] dient tevens te worden bevraagd omtrent hetgeen hij ten laste van cliënt verklaarde nu laatstgenoemde met klem ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de diefstal van het object en hij dus louter in het helingstraject was betrokken.
(…)
5. de heer [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1990 en wonende te [woonplaats];
Toelichting ad 5:
De broer van cliënt kan naar verwachting verklaren ter zake hij heeft gehoord ‘after the fact’ van cliënt en/of andere betrokkenen in die zin dat hij zal kunnen bevestigen dat het niet [verdachte] was die bij de feitelijke diefstal betrokken zou zijn geweest maar dat hij – [verdachte] – juist in het kader van het helen van de Monstrans een rol zou moeten worden toebedicht.
Gaarne bericht ik u ten slotte dat ik de mogelijkheid zou willen openhouden om ter terechtzitting het hof te verzoeken om de alsdan en aldaar tevens terecht staande medeverdachten als getuigen in de zaak tegen mijn cliënt te ondervragen. Een en ander in verband met de orde/planning aangaande de inhoudelijke zitting.”
6. De advocaat-generaal, mr. C.M.J. Krol, heeft blijkens een zich bij de stukken bevindende mail van 6 maart 2014 geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken tot oproeping van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2014 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“De raadsman van verdachte brengt naar voren - zakelijk weergegeven -:
Op 6 maart 2014 heb ik onderzoekswensen bij het hof ingediend in de veronderstelling dat het vandaag om een regiezitting zou gaan. Het openbaar ministerie heeft op 6 maart 2014 gereageerd op mijn verzoeken. Hierop is op 6 maart 2014 een voorzittersbeslissing [1] gevolgd, waarbij is bepaald dat de opa en oma van mijn cliënt als getuigen worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Dit is gebeurd. Ten aanzien van [betrokkene 2] heb ik een afschrift ontvangen van het proces-verbaal van zijn verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris in de zaak van medeverdachte Temming. Mijn overige verzoeken handhaaf ik.
De voorzitter merkt op - zakelijk weergegeven -:
Verdachte heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De voormalig raadsman van verdachte heeft destijds niet gereageerd op de vraag van het hof of de verdediging onderzoekswensen wilde indienen. In beginsel staat het de verdediging vrij om verzoeken ter terechtzitting in te dienen. De vraag is of de verdediging nu al een beslissing op haar verzoeken verlangt of dat eerst een aanvang met de behandeling van de zaak wordt gemaakt.
De raadsman van verdachte deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Ik verzoek het hof om nu te beslissen op de verzoeken van de verdediging, zodat we weten waar we aan toe zijn.
Ik handhaaf de nog resterende verzoeken die zijn gedaan op 6 maart 2014, te weten het horen van de heer [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3]. Ten aanzien van de onderbouwing van mijn verzoeken verwijs ik naar mijn faxbericht van 6 maart 2014. De grootouders van mijn cliënt hebben verklaard over [betrokkene 1]. Het openbaar ministerie vond het niet nodig om hem te horen, maar ik blijf erbij dat [betrokkene 1], gezien de verklaringen van de grootouders van mijn cliënt, mogelijk meer van deze zaak weet. [betrokkene 2] heeft niets verklaard, maar heeft wel belastende uitlatingen gedaan tegenover verbalisanten in de wandelgangen. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij dit betwist. Dit zou erop kunnen duiden dat [betrokkene 2] leugenachtig heeft verklaard bij de politie, hetgeen hem minder betrouwbaar maakt, zeker nu hij zou zijn gebeld op een telefoonnummer, waarvan hij zegt dat hij dit niet gebruikt. De verdediging heeft de indruk dat [betrokkene 2] niet het achterste van zijn tong laat zien. [betrokkene 3], de broer van mijn cliënt, die in eerste aanleg is vrijgesproken, kan verklaren over het al dan niet betrokken zijn van mijn cliënt bij het tenlastegelegde.
(…)
De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven –:
Wat betreft de nog resterende verzoeken van 6 maart 2014 blijf ik bij mijn eerder ingenomen standpunt. Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] moet worden afgewezen vanwege het niet voldoen aan het noodzaakcriterium.
Hetzelfde geldt ten aanzien van [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Overigens heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, waarbij [betrokkene 3] is vrijgesproken.
De raadsman van verdachte brengt hierop naar voren – zakelijk weergegeven –:
Ik handhaaf mijn verzoeken.
(…)
Oma heeft aanvankelijk geaarzeld om de naam [betrokkene 1] te noemen, maar zij heeft dit later wel gedaan. Als haar verklaring, inhoudende dat het een blonde man bij het ophalen van de monstrans aanwezig was, juist is, dan is [betrokkene 1] bij het ophalen van de monstrans geweest. Dit is nieuwe informatie. Het is van belang en noodzakelijk om [betrokkene 1] hierover te bevragen. De verdediging heeft de indruk dat [betrokkene 2] niet het achterste van zijn tong laat zien. Historische printgegeven tonen aan dat mijn cliënt hem heeft gebeld, terwijl [betrokkene 2] zegt dat hij dit nummer nooit heeft gebruikt. De verdediging wil [betrokkene 2] bevragen over de voor mijn cliënt belastende uitlatingen die hij buiten het verhoor om heeft gedaan.
Na gehouden beraad in raadkamer deelt het hof bij monde van de voorzitter mede dat het hof vooralsnog niet is gebleken van de noodzaak om de verzoeken van de verdachte en zijn raadsman toe te wijzen. Mocht het hof hier na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting aanleiding toe zien, dan zal het onderzoek worden heropend.
(…)
De verdachte en zijn raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman onder meer aanvoert – zakelijk weergegeven –:
Er moet recht gedaan worden op basis van de feiten. Het mag niet zo zijn dat de mate van publiciteit en deining in de maatschappij leidt tot verschillen in de zwaarte van de op te leggen straffen. Het openbaar ministerie meent dat er sprake is van medeplegen, derhalve van een nauwe en bewuste samenwerking, van samen plannen maken. Dit is echter op grond van het onderhavige dossier niet te bewijzen. Daarom moet mijn cliënt worden vrijgesproken van het medeplegen van de diefstal. Wat betreft de heling refereer ik mij aan het oordeel van het hof.
(…)
Ik heb onderzoekswensen ingediend, mede om aannemelijk te maken dat [betrokkene 2] niet betrouwbaar is. De inhoud van het proces-verbaal van bevindingen, waarin zijn uitlatingen gedaan bij het arrestantencomplex zijn opgenomen, wordt betwist. Bovendien is [betrokkene 2] naderhand niet meer door de politie geconfronteerd met die voor anderen belastende uitlatingen. De verdediging handhaaft de verzoeken om [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen te horen.”
8. Het Hof bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Verzoeken van de verdediging
Verdachte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting van het hof de verzoeken, gedaan bij faxbericht van 6 maart 2014, herhaald met uitzondering van het horen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5], nu deze op 12 maart 2014 door de raadsheer-commissaris zijn gehoord. De volgende personen dienen volgens de verdediging als getuigen te worden gehoord:
- [betrokkene 1], nu deze naar verwachting kan verklaren omtrent hetgeen al dan niet zou zijn verteld door verdachte tegen zijn opa en oma in hun woning tijdens het brengen dan wel het ophalen van de monstrans;
- [betrokkene 2], nu deze naar verwachting kan verklaren omtrent hetgeen al dan niet zou zijn verteld door verdachte tegen zijn opa en oma in hun woning tijdens het brengen dan wel het ophalen van de monstrans en hij bevraagd moet worden over zijn belastende uitlatingen met betrekking tot verdachte;
- [betrokkene 3], nu deze naar verwachting kan verklaren dat verdachte niet bij de feitelijke diefstal betrokken is geweest.
(…)
Het hof is van oordeel dat geen de hierboven vermelde en ter terechtzitting herhaalde verzoeken, eerder gedaan bij faxbericht van 6 maart 2014, voor toewijzing in aanmerking komen, nu deze verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd en het hof ook overigens niet de noodzaak tot inwilliging van de verzoeken is gebleken.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De verdachte en zijn raadsman hebben vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Het dossier moet volgens de verdediging worden beoordeeld aan de hand van het subsidiair tenlastegelegde, te weten opzetheling. In dit verband is het volgende aangevoerd.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, waarin de voor verdachte belastende verklaring van [betrokkene 2] van 11 juni 2013 is opgenomen, moet van het bewijs worden uitgesloten, nu die [betrokkene 2] de belastende uitlatingen niet heeft herhaald in latere verhoorsituaties, noch bij de politie, noch als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1]. Mocht het hof dit proces-verbaal van bevindingen als bewijsmiddel willen gebruiken, dan wensen verdachte en zijn raadsman [betrokkene 2] als getuige te horen.
(…)
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
[betrokkene 2] heeft tijdens het wachten in het arrestantencomplex op 11 juni 2013 verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] spontaan heeft meegedeeld, dat hij wist wie de personen waren die betrokken waren geweest bij de diefstal van de Monstrans. Deze gang van zaken valt naar het oordeel van het hof niet te merken als een verhoorsituatie. Hetgeen [betrokkene 2] heeft verklaard, is door voornoemde verbalisanten vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. Ter terechtzitting van het hof zijn beide verbalisanten als getuigen gehoord en hebben zij hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, bevestigd. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel te twijfelen, te meer nu hetgeen [betrokkene 2] tegenover hen heeft verklaard, bevestiging vindt in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Het verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting dient dan ook te worden verworpen.”
9. Het verzoek om [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige te horen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro, in combinatie met art. 315 Sv Pro en art. 415 Sv Pro, waarop het noodzaakscriterium van toepassing is. Het Hof heeft aldus, zoals ook de steller van het middel erkent, het juiste criterium toegepast. Overigens verdient opmerking dat de door het Hof gebezigde zinsnede dat de verzoeken “voor
toewijzingin aanmerking komen (cursivering van mij, PV) gelet op de alinea in zijn geheel moet worden aangemerkt als kennelijke misslag; het middel klaagt ook niet over deze inconsistentie.
10. Bij de beoordeling moet het volgende worden vooropgesteld. In zijn op 1 juli 2014 gewezen overzichtsarrest [2] overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de toetsing in cassatie van de afwijzing van een verzoek als het onderhavige onder meer:
“2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (a) de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (b) de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. Over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg kan door de verdediging in cassatie dus niet worden geklaagd.
2.74 Wat betreft de onder (a) en (b) genoemde beslissingen kan in cassatie niet over de juistheid ervan worden geklaagd. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing.
2.75. In dit verband moet worden gewezen op het in 2012 in werking getreden art. 80a RO en de betekenis van deze bepaling voor de reikwijdte van het onderzoek in cassatie ten aanzien van de hiervoor bedoelde beslissingen. In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo mag in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen. Voorts levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende — rechtens te respecteren — belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.
2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv Pro zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.
2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.”
11. Zoals door uw Raad overwogen kan het oordeel van het Hof dat niet zal worden overgegaan tot het horen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Daarbij neem ik in aanmerking dat van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van ieder van de opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. In cassatie gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing van het Hof begrijpelijk is in het licht van – als ware het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [3] Ook het stadium waarin het verzoek is gedaan kan bij de beoordeling een rol spelen. Door het verzoek reeds voorafgaand aan de terechtzitting te doen en het ter terechtzitting (meermaals) te herhalen voldoet de activiteit van de verdediging in beginsel aan de nieuwe lijn die de Hoge Raad in zijn hiervoor aangehaalde arrest van 1 juli 2014 heeft uitgezet. Aldus resteert de vraag of de verzoeken van de verdediging ook inhoudelijk aan de maat zijn.
12. Omwille van de leesbaarheid zal ik ieder verzoek aanstonds afzonderlijk bespreken. Bij de bespreking moet het volgende voor ogen worden gehouden. De verdediging heeft zich blijkens de toelichting op de verzoeken kennelijk op het standpunt gesteld dat een veroordeling voor heling in de rede ligt, maar dat verdachte niet is betrokken bij de diefstal. Bij de motivering van de verzoeken door de verdediging mag mijns inziens daarom ook worden verlangd dat toegelicht wordt of en mogelijk wat de getuige kan verklaren over de al dan niet betrokkenheid van verdachte bij de diefstal.
13. Ik begin met het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige. Dat het verzoek naar het oordeel van het Hof onvoldoende is onderbouwd is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] mogelijk meer van de zaak weet, dat hij mogelijk aanwezig is geweest bij het brengen dan wel ophalen van de monstrans in de woning van de grootouders van verdachte en dat [betrokkene 1] zou kunnen verklaren omtrent hetgeen al dan niet door verdachte aldaar zou zijn gezegd. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat het niet noodzakelijk is [betrokkene 1] als getuige te horen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Kennelijk heeft het Hof zich door de verhoren van de grootouders van verdachte door de raadsheer-commissaris voldoende voorgelicht geacht over hetgeen al dan niet zou zijn voorgevallen bij het brengen dan wel ophalen van de monstrans. Daarbij verdient opmerking dat het Hof bovendien, anders dan de Rechtbank, niet de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van de grootouders van verdachte inhoudende dat verdachte tegen hen gezegd zou hebben dat hij ‘dat ding’ samen met anderen zou hebben gestolen, tot het bewijs heeft gebezigd. [4]
14. Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om getuige [betrokkene 2], zijnde verdachtes medeverdachte, op te roepen, heeft het volgende te gelden. De verklaring die medeverdachte [betrokkene 2] heeft afgelegd tegenover de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] neemt in de bewijsconstructie een belangrijke plaats in nu de overige bewijsmiddelen (vooral) zien op het handelen van de verdachte na afloop van de bewezenverklaarde diefstal. In de toelichting van het middel wordt – zij het summier – geklaagd over het gebruik voor het bewijs van dit proces-verbaal. [5]
15. Aan het verzoek om [betrokkene 2] als getuige te horen heeft de verdediging niet meer ten grondslag gelegd dan dat hij belastend heeft verklaard, dat hij deze verklaring bij zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris in de zaak tegen een medeverdachte heeft betwist, dat hij naar verwachting kan verklaren omtrent hetgeen al dan niet door verdachte tegens diens grootouders zou zijn gezegd tijdens het brengen dan wel ophalen van de monstrans en dat hij naderhand niet meer door de politie is geconfronteerd met zijn voor anderen belastende uitlatingen. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake is van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de zijde van de verdediging. Mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, kon het Hof volstaan met de overweging dat het verzoek onvoldoende onderbouwd is en ook overigens niet de noodzaak is gebleken om [betrokkene 2] als getuige op te roepen. Het oordeel van het Hof om niet over te gaan tot het oproepen van [betrokkene 2] als getuige is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [6]
16. Tot slot de afwijzing van de getuige [betrokkene 3]. Ten aanzien van deze getuige heeft de verdediging niet meer aangevoerd dan dat hij zou kunnen verklaren over het (al dan) niet betrokken zijn van verdachte bij het tenlastegelegde; zo zou hij kunnen verklaren over hetgeen hij na afloop van het strafbare feit heeft vernomen van verdachte en andere betrokkenen en zou hij kunnen bevestigen dat verdachte slechts in het kader van het helen van de Monstrans een rol zou kunnen worden toegedicht. Nu de verdediging slechts in algemene bewoordingen heeft aangevoerd dat [betrokkene 3] ontlastend zou kunnen verklaren en niet (nauwkeurig) heeft aangevoerd op welke – voor het tenlastegelegde van belang zijnde – punten de getuige nader (ontlastend) zou kunnen verklaren, is de afwijzing van het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze voorzittersbeslissing heb ik niet bij de stukken aangetroffen maar uit de inhoud van het proces-verbaal blijkt genoegzaam dat een voorzittersbeslissing is gevolgd. In het dossier zit overigens wel een mail van 11 oktober 2013 verstuurd door mr. B.P. Snijder namens de voorzitter van de strafkamer van het Hof, inhoudende dat het Hof aan de hand van de door art. 258 lid 5 Sv Pro geboden ruimte tot het nemen van voorzittersbeslissingen een voortvarende inhoudelijke behandeling wil bewerkstelligen.
2.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers.
3.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76.
4.De verklaringen van de grootouders heeft het Hof wel als bewijsmiddel opgenomen (bewijsmiddel 4 en 5) maar deze passage niet.
5.Ware dit niet het geval geweest dan had dit – in het licht van art. 80a RO – tot de conclusie kunnen leiden dat de verdachte geen belang heeft bij zijn cassatieberoep.
6.Zeker tegen de achtergrond dat de desbetreffende verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep door het Hof uitvoerig als getuige zijn gehoord alsmede dat de grootouders door de raadsheer-commissaris als getuige zijn gehoord en voorts dat de verdediging een afschrift heeft ontvangen van het verhoor van [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris in de zaak van medeverdachte Temming.