Conclusie
1.Inleiding
2.Het antwoord op de prejudiciële vragen
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de prospectusplicht, zoals opgenomen in art. 3 lid 1 van Pro de Prospectusrichtlijn en geïmplementeerd in art. 5:2 Wft Pro, ook van toepassing is op executoriale verkopen van effecten. De Hoge Raad had hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof oordeelde op 17 september 2014 dat de prospectusplicht niet geldt voor executoriale verkopen, omdat deze verkopen niet passen binnen de doelstellingen van de richtlijn, die beleggersbescherming en marktwerking beogen.
De Hoge Raad volgde deze uitleg en stelde dat art. 5:2 Wft Pro dienovereenkomstig moet worden uitgelegd. De executoriale verkoop heeft een ander karakter dan een normale aanbieding van effecten, omdat het gaat om een gedwongen verkoop ten behoeve van een schuldeiser, en niet om het aantrekken van kapitaal. De verplichting tot het opstellen van een prospectus zou de executieprocedure vertragen en onnodige kosten veroorzaken.
Daarnaast wees de Hoge Raad op praktische problemen, zoals de vraag wie verantwoordelijk is voor het prospectus bij executoriale verkoop, aangezien de houder van de effecten niet de verkoper is. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten die stelden dat de prospectusplicht wel van toepassing zou zijn en bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat de prospectusplicht niet geldt in deze situatie.
De conclusie van de Procureur-Generaal luidde tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofbesluit werd bekrachtigd.
Uitkomst: De prospectusplicht geldt niet voor executoriale verkoop van effecten; het cassatieberoep wordt verworpen.