Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
te allen tijdenverdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. Hieruit volgt dat een vordering tot verdeling niet aan verjaring onderhevig is. Volgens haar geldt de verjaringstermijn van art. 3:306 BW Pro slechts ten aanzien van goederen die in de zin van art. 3:179 lid 2 BW Pro bij de verdeling zijn overgeslagen en waarvan een nadere verdeling wordt gevorderd. In 1991 heeft geen verdeling van de algehele gemeenschap van goederen plaatsgevonden. Alleen de woning, de overwaarde van de woning en de hypothecaire schuld zijn in de verdeling betrokken. De pensioenrechten zouden volgens [de vrouw] daarom niet moeten worden aangemerkt als een overgeslagen goed in de zin van art. 3:179 BW Pro, maar als een gemeenschappelijk goed waarvan op de voet van art. 3:178 lid 1 BW Pro verdeling wordt gevorderd.
3.A comedy of errors of een opeenstapeling van misslagen?
nietin de verdeling zijn betrokken. Ik houd het ervoor dat de Rechtbank dat laatste heeft bedoeld. Daarop wijst ook dat zij het beroep op verjaring laat slagen (eveneens rov. 4.6).
te allen tijdevolgt dat de vordering tot verdeling niet kan verjaren. [8] Art. 3:179 lid 2 BW Pro bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling één of meer goederen zijn overgeslagen alleen tot gevolg heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschapsgoed in de zin van art. 3:178 BW Pro [9] en is dus niet aan verjaring onderhevig. [10] Niet relevant is of de beoogde goederen opzettelijk of onbewust zijn overgeslagen, zoals Rechtbank en Hof mogelijk hebben verondersteld. [11]
4.Bespreking van de klachten
onderdeel 2betreft ’s Hofs oordeel omtrent de bewijslastverdeling. [de vrouw] verwijt het Hof haar met een negatieve bewijslast te hebben opgezadeld.
Onderdeel 3is gekant tegen het oordeel dat het er in de gegeven omstandigheden voor moet worden gehouden dat een verdeling van alle tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen heeft plaatsgevonden. Volgens [de vrouw] is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de inhoud van de akte van scheiding en deling. Zij klaagt voorts dat het Hof haar stelling onbesproken heeft gelaten dat uit deze akte slechts blijkt van een verdeling van de woning, de overwaarde en de hypothecaire schuld. Tot slot stelt zij dat de bewijslast ook gezien de inhoudt van deze akte ten onrechte bij haar zou zijn gelegd.