ECLI:NL:PHR:2015:66

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2015
Publicatiedatum
17 februari 2015
Zaaknummer
14/03673
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake beslag teruggave na vonnis rechtbank

Klager had bij de Rechtbank Rotterdam een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv, strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €18.620. De rechtbank verklaarde dit klaagschrift ongegrond bij beschikking van 29 oktober 2013. Klager stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

In de cassatieschriftuur werd vermeld dat de strafzaak tegen klager inmiddels door de rechtbank was afgedaan met een vonnis waarin klager werd vrijgesproken en de teruggave van het geldbedrag werd gelast. De Hoge Raad verifieerde dat de strafzaak nog aanhangig was wegens hoger beroep van het Openbaar Ministerie, maar dat de beslissing tot teruggave in het vonnis was opgenomen.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de beschikking waartegen het beroep was gericht een voorlopige beslissing betrof die werd gegeven in afwachting van het strafvonnis. Nu de rechtbank inmiddels in het strafvonnis een beslissing over de teruggave had genomen, kon op het klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen. Het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk was en het geldbedrag nog niet was teruggegeven deed hieraan niet af.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin eenzelfde standpunt werd ingenomen. Hierdoor werd het cassatieberoep van klager niet ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank inmiddels in het strafvonnis de teruggave van het geldbedrag heeft gelast.

Conclusie

Nr. 14/03673 B
Mr. Harteveld
Zitting 20 januari 2015
Conclusie inzake:
[klager]
1. Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013, waarbij een namens klager ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van een onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 18.620,-, ongegrond is verklaard.
2. Namens klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Alvorens ik toekom aan de bespreking van het middel, besteed ik aandacht aan de vraag of klager in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
3.2. In de cassatieschriftuur wordt aan het slot melding gemaakt van het feit dat de Rechtbank Rotterdam in de strafzaak tegen klager inmiddels vonnis heeft gewezen. Klager is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en voorts is de teruggave gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag. Als bijlagen aan de schriftuur zijn gehecht de pagina’s 3 en 6 van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam, inhoudende onder meer de beslissing van de Rechtbank tot teruggave aan klager van de inbeslaggenomen gelden.
3.3. Uit door mijn medewerker ingewonnen informatie bij de frontoffice van de Rechtbank Rotterdam blijkt dat de Rechtbank Rotterdam inderdaad vonnis heeft gewezen in de strafzaak jegens klager (parketnummer 10/960209-11). Op 19 november 2013 heeft de Rechtbank die uitspraak gedaan waarin zij ook een beslissing heeft genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag. Tegen voornoemde uitspraak is op 2 december 2013 door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat de strafzaak tegen klager nog aanhangig is.
3.4. In HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de Rechtbank, evenals in de onderhavige zaak het geval is, tussentijds in de strafzaak vonnis had gewezen en daarin omtrent het inbeslaggenomene had beslist. Daardoor kon op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. Dat betekende dat de klager niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen.
3.5. Ook in de onderhavige zaak heeft te gelden dat er geen plaats is om het beklag gegrond te verklaren, nu klager geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013. De op het klaagschrift gegeven beslissing is immers naar haar aard een voorlopige beslissing, die gegeven wordt in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Nu de rechter in de strafzaak tegen klager de teruggave van het geldbedrag heeft gelast aan klager, kan klager in het onderhavige cassatieberoep niet worden ontvangen. [1] Daaraan doet niet af dat de beslissing in de strafzaak nog niet onherroepelijk is en het geldbedrag nog niet daadwerkelijk is teruggegeven. [2]
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. ook o.m. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3274, HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0637 en HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834.
2.Vgl. HR HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834, rov. 3.3.