ECLI:NL:PHR:2015:669

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
26 mei 2015
Zaaknummer
14/01652
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 6:74 BWArt. 36f SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt valse hoedanigheid bij internetoplichting via professionele websites

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meervoudige oplichting en witwassen. Hij bood via professioneel ogende websites elektronische apparatuur en evenemententickets aan, vroeg betaling, maar leverde de goederen niet. Het Hof stelde vast dat verdachte zich voordeed als bonafide verkoper, maar geen intentie of mogelijkheid had om te leveren, en gebruikte daarbij misleidende website-namen en onbruikbare contactgegevens.

In cassatie stelde verdachte dat het enkele zich voordoen als bonafide verkoper niet volstaat voor het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de omstandigheden, waaronder het gebruik van een professionele façade, misleidende website-namen, onbruikbare contactgegevens en het in scène zetten van storingen bij elektronische betalingen, meer omvatten dan louter het zich voordoen als bonafide verkoper.

De Hoge Raad bevestigde dat het handelen van verdachte kwalificeert als het aannemen van een valse hoedanigheid en dat het cassatieberoep faalt. Wel werd een vergissing in de toegewezen schadevergoeding aan een benadeelde partij gecorrigeerd. De uitspraak onderstreept het belang van bijkomende omstandigheden boven het louter niet leveren na betaling om oplichting aan te nemen.

Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de veroordeling voor oplichting met valse hoedanigheid bevestigd, met correctie van een toegewezen schadevergoeding.

Conclusie

Nr. 14/01652
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 21 maart 2014 verdachte wegens het onder 1 en 3 bewezenverklaarde “oplichting, meermalen gepleegd” en het onder 2 bewezenverklaarde “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van een aantal in beslag genomen voorwerpen. Voorts heeft het Hof de vorderingen van zevenenzeventig benadeelde partijen geheel of gedeeltelijk toegewezen en heeft het Hof ten behoeve van deze benadeelde partijen ook schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte opgelegd.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4.Middelen 1 en 2

4.1.
Het eerste en tweede middel klagen over de onder 1 en 3 bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen: “valse hoedanigheid” en “samenweefsel van verdichtsels”.
4.2.
Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de maand september 2012 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels 90 personen, waaronder:
- [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 2], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 3], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 4], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 5], wonende te [woonplaats], aangifte […],
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk telkens – zakelijk weergegeven – valselijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- goederen aangeboden middels een internetsite genaamd [B] en
- zich daarbij voorgedaan als een bonafide verkoper en/of
- bestellingen laten plaatsen door en/of mailverkeer onderhouden met bezoekers van die internetsite, waarbij al dan niet werd vermeld dat bij betaling voor 16:00 uur het bestelde goed de volgende werkdag zou worden geleverd en/of
- daarbij het vertrouwen gewekt dat hij, verdachte, die aangeboden en bestelde goederen zou en kon leveren en/of
- aan de bezoekers van die internetsite doen voorkomen dat betaling van bestelde goederen via Ideal of met een creditcard om technische redenen niet mogelijk was en de betaling van die bestelde goederen diende plaats te vinden op een bankrekening met nummer [001], waarbij al dan niet werd vermeld dat bij betaling voor 22.00 uur het bestelde goed op tijd geleverd zou worden,
waardoor die personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;”
En onder 3 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in het tijdvak van februari t/m april 2012 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels 23 personen, waaronder:
- [betrokkene 6], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 7], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 8] en [betrokkene 9], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 10], wonende te [woonplaats], aangifte […] en
- [betrokkene 11], wonende te [woonplaats], aangifte […]
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk telkens – zakelijk weergegeven – valselijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- tickets/toegangskaarten voor evenementen aangeboden middels een internetsite, genaamd worldticketscentre.eu en
- zich daarbij voorgedaan als een bonafide verkoper en
- bestellingen laten plaatsen door en/of mailverkeer onderhouden met bezoekers van die internetsite en
- daarbij het vertrouwen gewekt dat hij, verdachte, die aangeboden en bestelde tickets/toegangskaarten zou en kon leveren, waardoor die personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.”
4.3.
Deze bewezenverklaringen steunen op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn opgenomen. Het Hof heeft in het bestreden arrest voorts de volgende bewijsoverwegingen opgenomen met betrekking tot deze feiten:
”Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het onder 1 en 3 ten laste gelegde oplichting oplevert. In beginsel is het enkele feit dat iemand goederen aanbiedt op internet en - ondanks stipte betaling - nalaat om die goederen te leveren onvoldoende om te spreken van oplichting. Er is om te kunnen komen tot de kwalificatie oplichting minimaal één oplichtingsmiddel nodig.
Valse hoedanigheid
Het oplichtingsmiddel 'valse hoedanigheid' is zowel bij feit 1 als bij feit 3 aanwezig. Verdachte deed zich in beide gevallen voor als een zogenoemde bonafide verkoper van respectievelijk wit- en bruingoed en evenemententickets. Hij had bij de in de tenlastelegging genoemde gevallen noch de mogelijkheid noch de intentie om de producten daadwerkelijk te leveren. In beide gevallen bediende verdachte zich van een professioneel ogende website, waarbij er een veelheid aan producten werd aangeboden tegen voor consumenten aantrekkelijke doch niet onredelijk lage prijzen. Bij beide sites bestond de mogelijkheid om elektronisch te betalen, hetgeen - en dit is een feit van algemene bekendheid – het vertrouwen van de consument in de goede intenties van de verkoper doet vergroten. Tevens werd er een fysiek adres weergegeven op de site, hetgeen eveneens vertrouwen opwekt. Daarbij was de naamgeving van beide websites dusdanig gekozen dat deze op zijn minst de associatie opriep met bestaande en betrouwbare websites. Onder 1 deed de naam [B] denken aan prolectro.nl, een bestaande elektronica-site. Dat de lay-out voorts werd geïnspireerd door de huisstijl van Scheer&Foppen versterkt het voorgaande in aanzienlijke mate. Onder 3 deed de gekozen naam worldticketscentre.eu denken aan de site worldticketcentre.nl, een bestaande vliegticket-site.
Onder 1 bediende verdachte zich voorts van een telefoonnummer, waarbij gedupeerden door de lange wachttijd naast het betaalde geld voor niet-geleverde goederen voorts nog geld betaalden voor de wachttijd, zonder - in veruit de meeste gevallen - ooit iemand aan de lijn te krijgen. Ten slotte speelt bij 1 mee dat verdachte - nadat kopers hadden aangegeven elektronisch te willen betalen - het deed voorkomen dat er een storing was. Hij verzond dan een mail naar de koper met daarin de belofte om direct de volgende dag te leveren, indien het bedrag maar direct via een normale overboeking werd overgemaakt op het bankrekeningnummer van verdachte.
Het voorgaande maakt dat het oplichtingsmiddel 'valse hoedanigheid' - in de vorm van het zich voordoen als bonafide verkoper - bewezen kan worden verklaard.
Samenweefsel van verdichtsels
Uit het voorgaande blijkt dat er eveneens sprake was van een samenweefsel van verdichtsels. Van een samenweefsel van verdichtsels kan worden gesproken indien de verdachte een verhaal heeft opgedist dat niet waar is (in casu een website waarop de suggestie wordt gewekt dat de getoonde producten geleverd kunnen worden) dit verhaal meer dan één leugen inhoudt (onder 1 is in casu zowel de belofte van levering als de voorgestelde 'storing' in het betaalsysteem leugenachtig en onder 2 is in casu zowel de belofte van levering als het onderhouden emailverkeer waarin deze suggestie werd onderhouden/versterkt leugenachtig) en het slachtoffer enig goed heeft afgegeven (in casu: geldbedragen). Aan de verdere vereisten (het verhaal was geschikt om tot afgifte van het geld te bewegen en het was daadwerkelijk dit verhaal dat de slachtoffers daartoe bewoog) is eveneens voldaan. Derhalve kan ook een bewezenverklaring van het oplichtingsmiddel 'samenweefsel van verdichtsels' volgen.”
4.4.
Het eerste middel betoogt dat het Hof er kennelijk vanuit is gegaan dat het enkele feit dat verdachte zich als bonafide verkoper heeft voorgedaan het “aannemen van een valse hoedanigheid” als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr oplevert. Daarbij wijst het middel op jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat “de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en aan hem vooruitbetaalde goederen te leveren, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr Pro.“ [1] Niet leveren, terwijl de wederpartij het geldbedrag al heeft overgemaakt, is dus op zichzelf geen oplichting. Dat geldt ook (of: zelfs) als de verdachte bij het sluiten van de koop al van plan was om nooit te gaan leveren. Voor die gevallen van bedrog biedt het civiele recht uitkomst, zo is de gedachte, en wel via art. 6:74 BW Pro (wanprestatie). De klacht dat het Hof dit heeft miskend, mist feitelijke grondslag, zoals reeds uit het begin van ’s Hofs hiervoor opgenomen overwegingen blijkt. Dat het Hof aan het slot overweegt dat het oplichtingsmiddel valse hoedanigheid “in de vorm van het zich voordoen als bonafide verkoper” bewezen kan worden verklaard, maakt dat niet anders. Gelet op hetgeen aan die conclusie voorafgaat, bedoelt het Hof hier onmiskenbaar dat in de omstandigheden van dit geval het zich voordoen als bonafide verkoper een valse hoedanigheid oplevert. Van het “enkele” zich voordoen als bonafide verkoper is dus naar het oordeel van het Hof geen sprake.
4.5.
Het middel klaagt voorts dat het Hof zijn oordeel dat sprake is van een valse hoedanigheid onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De vraag die het middel oproept, is waar de grens ligt tussen het niet-strafbare bedrog en de strafbare oplichting in de zin van art. 326 Sr Pro. [2] In de zaak waarnaar de steller van het middel verwijst, ging het om verkoop via Marktplaats.nl. De verdachte, die ook niet leverde nadat klanten de door hem aangeboden goederen hadden betaald, bediende zich van “foutieve namen” en “verschillende e-mailadressen” met het doel de verhaalsmogelijkheden van de gedupeerde kopers te bemoeilijken. De Hoge Raad liet de veroordeling voor oplichting in stand. Daartoe overwoog hij onder meer dat de door de verdachte aangenomen valse hoedanigheid niet louter bestond uit het zich in strijd met de waarheid voordoen als bonafide verkoper, maar tevens uit het als verkoper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan zijn wederpartij. [3]
4.6.
Uit deze uitspraak blijkt dat het verstrekken van onbruikbare contactgegevens kan maken dat sprake is van meer dan het louter aannemen van de hoedanigheid van bonafide verkoper. In een recente oplichtingszaak – HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326 – ging het om de hoedanigheid van bonafide koper. Het “meerdere” was hier gelegen in het volgens het vooropgezette plan achterlaten van een waardeloos onderpand. Het ging om een verdachte die als potentiele fietsenkoper steeds proefritjes maakte met een fiets terwijl hij een polstasje (gevuld met lege enveloppen) als onderpand bij de verschillende fietsenverkopers achterliet. Volgens het hof leverde dit oplichting op. In cassatie hield dit oordeel stand. De Hoge Raad overwoog daartoe:
“4.2. Vooropgesteld moet worden dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr Pro. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak meer omvatten dan het enkele zich voordoen als een bonafide koper. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, nu uit die gedragingen blijkt dat de verdachte zich telkens in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een belangstellende die voornemens is de hem voor een proefrit ter hand gestelde fiets terug te brengen, waarbij de verdachte kennelijk telkens heeft gehandeld volgens een tevoren bedachte werkwijze, welke werkwijze onder meer heeft bestaan uit het achterlaten van een waardeloos onderpand.”
4.7.
Dat de toetsing in cassatie ook anders kan uitvallen blijkt uit HR 9 december 2012, ECLI:NL:HR:2014:3546. Ook in deze zaak ging het om “internetoplichting”. Uit het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank Amsterdam kan worden afgeleid dat het ging om de volgende situatie. De verdachte, die een webwinkel had, voldeed niet aan de bestellingen. Hij stond onder zijn eigen naam ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder had hij zich als ZZP-er laten registreren bij de Belastingdienst. Er moet voorts, nu het tegendeel niet uit de overwegingen van de Rechtbank en het Hof blijkt, van worden uitgegaan dat de verdachte zijn individuele webwinkel onder zijn eigen naam dreef (en dus geen gebruik maakte van een gefingeerde naam) en dat hij geen gebruik maakte van rekeningen van anderen. Om zijn grote schuldenlast te verlichten zou hij met de door de klanten op voorhand betaalde geldbedragen “het ene gat met het andere” hebben gevuld door een deel van deze bedragen aan hen te restitueren met het geld dat hij van nieuwe klanten ontving. De Rechtbank was van oordeel dat de verdachte aldus te kwader trouw had gehandeld en dat deze wijze van zaken doen mogelijk civielrechtelijk een moedwillige wanprestatie opleverde, maar dat er onvoldoende bewijs was om van “het aannemen van een valse hoedanigheid” te kunnen spreken. De advocaat-generaal bij het Hof had zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er wél sprake was van oplichting. Daartoe had hij – zo blijkt uit het arrest van het Hof – aangevoerd “dat de verdachte een façade in het leven heeft geroepen door het maken van een website, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het te woord staan van klanten per telefoon en email, het gebruik maken van algemene voorwaarden en het zich als ZZP-er laten registreren bij de Belastingdienst, terwijl de verdachte nooit de bedoeling heeft gehad om de afspraken met zijn klanten na te komen door de bestelde (en betaalde) goederen af te leveren. De advocaat-generaal heeft er daarbij op gewezen dat bij de verdachte geen boekhouding en facturen zijn aangetroffen, dat geen omzetbelasting is afgedragen, dat verdachte geen personeel en geen bedrijfsruimte had en dat hij maar één leverancier had ([A]) waardoor hij per definitie niet zou hebben kunnen verdienen aan de verkopen aan zijn klanten.” Het Hof was evenwel van oordeel dat deze door de advocaat-generaal aangedragen omstandigheden nog niet maakten dat sprake was geweest van oplichting en overwoog daarbij “dat de verdachte door het opzetten van een op internet bonafide ogende onderneming (die vervolgens verplichtingen niet kon nakomen) niet een zodanig vaste en vertrouwenwekkende functie of rol heeft gecreëerd, dat kopers daar in het maatschappelijk verkeer te allen tijde en zonder meer op af konden gaan.” In cassatie vocht het openbaar ministerie dit oordeel tevergeefs aan. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk was “in aanmerking genomen dat het zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst”.
4.8.
De vraag is welke betekenis aan deze uitspraak toekomt. Daarbij is van belang dat het hier gaat om de toetsing in cassatie van een vrijspraak, waarbij volgens vaste rechtspraak geldt dat het feit dat een ander oordeel op grond van het aanwezige bewijsmateriaal mogelijk was geweest, nog niet maakt dat het gegeven oordeel onbegrijpelijk is. In dit geval benadrukt de Hoge Raad de beperktheid van de toetsing door te wijzen op de verwevenheid van ’s Hofs oordeel met waarderingen van feitelijke aard. Het is dan ook niet uitgesloten dat, als het Hof anders had geoordeeld en het tenlastegelegde wel had bewezenverklaard, de uitspraak in cassatie ook had stand gehouden. Uit het arrest kan in elk geval niet de conclusie worden getrokken dat het in leven roepen van een façade nimmer de vereiste valse hoedanigheid kan opleveren. Ik merk daarbij op dat in dit geval niet blijkt dat de verdachte gebruik maakte van een eigen – laat staan professioneel ogende – website. Als op de tenlastelegging mag worden afgegaan, bood de verdachte zijn goederen aan op de websites
www.computer-audio-witgoed.nlen
www.marktplaats.nl. Hij handelde daarbij onder zijn eigen naam en maakte gebruik van zijn eigen bankrekening. Ik merk voorts op dat niet duidelijk is of de verdachte de inschrijving bij de Kamer van Koophandel heeft gebruikt om het vertrouwen van zijn klanten te winnen. Hetzelfde geldt voor de inschrijving als ZZP-er bij de belastingdienst. Dat van een daadwerkelijk functionerende onderneming geen sprake is geweest, zegt daarom wel iets over de bedrieglijke intenties van de verdachte, maar niet direct iets over de (valse) hoedanigheid waarmee hij zich presenteerde.
4.9.
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Volgens de steller van het middel vallen de door het Hof genoemde omstandigheden onder de noemer “het zich voordoen als bonafide verkoper” hetgeen niet voldoende is voor het aannemen van een valse hoedanigheid. Ik zie dit anders. Verdachte heeft meer gedaan dan zich enkel presenteren als een bonafide verkoper. Ten aanzien van feit 1 geldt dat hij niet onder eigen naam handelde, maar onder de naam van [B], een onderneming die, naar uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, niet werkelijk als zodanig functioneerde, maar slechts als dekmantel diende voor de bedrieglijke activiteiten van de verdachte. Zo blijkt uit bewijsmiddel 1 dat het bedrijf [B] niet gevestigd was op het op de website opgegeven adres [adres], alwaar volgens de website de ophaalbalie zou zijn. Dat bracht tegelijk mee dat niet duidelijk was wie de rekeninghouder van de bankrekening was waarnaar de klanten het geld moesten overmaken. Uit bewijsmiddel 9 kan worden afgeleid dat een tot ABN-AMRO gerichte vordering Naw-gegevens nodig was om vast te stellen dat de rekening op naam stond van verdachte, “h/o [B]”. Van de verstrekking van bruikbare contactgegevens was aldus geen sprake. Dat daarbij opzet in het spel was, blijkt mede uit de orderbevestiging met daarin een “0900-klantennummer” die de klant ontving nadat hij het geld had overgemaakt. De klanten die dat nummer belden, kregen te horen dat zij 0,45 cent per minuut moesten betalen zonder dat zij uiteindelijk door iemand te woord werden gestaan. Weliswaar was zoals de steller van het middel aanvoert het kwaad op dat moment al geschied, in die zin dat de klant het geld al had overgemaakt, maar dat neemt niet weg dat uit dit gegeven mede blijkt dat sprake was van een constructie die door de verdachte was opgezet om reclameren te bemoeilijken. Bij dit alles komt dan dat de verdachte de producten aanbood via een website die qua naam – [B] - sterk leek op een bestaande website voor elektronica, te weten: [B]. Bovendien leek de lay-out van de website bedrieglijk veel op die van Scheer & Foppen. [4] Uit de als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van een IT-medewerker van dit bedrijf was “onze site compleet gekopieerd” en werd op de site van [B] gebruik gemaakt van een combinatie tussen nummer en product die uniek is voor de interne systemen van Scheer & Foppen. Uit bewijsmiddel 5 blijkt dat op de site een banner van Scheer & Foppen was geplaatst en dat [B] werd gepresenteerd als een partner van dit bedrijf. Deze misleidende voorstelling van zaken zorgde ervoor dat het vertrouwen van de consumenten werd gewonnen. Verder leek de mogelijkheid te worden geboden om via Ideal of creditcard te betalen. Dit lukte uiteindelijk niet vanwege een door de verdachte in scène gezette storing waarna de klant werd verzocht het geld alsnog via een normale overboeking te betalen. Aldus werd verhuld dat van een professioneel bedrijf waarmee via Ideal en creditcard zaken kunnen worden gedaan, in feite geen sprake was.
4.10.
Voor feit 3 geldt in grote lijnen hetzelfde. De klanten die via de site worldticketscentre.eu van verdachte evenemententickets wilden kopen, dachten te handelen met het bedrijf “[C]”, dat gevestigd zou zijn aan [adres]. Het bankrekeningnummer waarnaar het geld moest worden overgemaakt, was hetzelfde als bij feit 1, maar stond nu op naam van [C] te Groningen (o.m. bewijsmiddel 23). Klanten die contact zochten via de mail, kregen antwoord van [D]. Klanten die het telefoonnummer dat in de e-mail stond, belden, kregen geen gehoor (bewijsmiddel 22).Klanten die zich op het opgegeven adres in Groningen vervoegden – alwaar, zo leert een kleine zoektocht op internet, een “kantoorbelevingsconcept” gevestigd is dat kantoorruimte op maat verhuurt – kregen van de mevrouw aan de balie te horen dat ze de eerste niet waren en dat er al meer mensen waren geweest. Meer dan de naam en het 06-nummer van de huurder (verdachte) verschaffen, kon deze vrouw kennelijk niet. [5] Ook hier opereerde de verdachte dus onder een dekmantel en verschafte hij niet bruikbare contactgegevens. Verder maakte hij ook hier gebruik van een professioneel ogende website die vrijwel dezelfde naam had als een bestaande – betrouwbare - website. Een verschil met feit 1 is dat het via [D] daadwerkelijk mogelijk was om elektronisch betalen door middel van Ideal (bewijsmiddelen 17 en 22). Dat feit verhoogde de indruk van professionaliteit.
4.11.
Het oordeel van het Hof dat in casu niet louter sprake was van het zich voordoen als bonafide koper en dat sprake is van bijkomende omstandigheden die maken dat van het aannemen van een valse hoedanigheid kan worden gesproken, is gelet op het voorgaande dus niet onbegrijpelijk. Wat resteert, is de klacht dat het Hof niet van algemene bekendheid heeft kunnen achten dat “de mogelijkheid om elektronisch te betalen (…) het vertrouwen van de consument in de goede intenties van de verkoper doet vergroten”. Ik meen dat die klacht faalt. Wie een onbekende verkoper contant betaalt (in het café of op de hoek van de straat), beschikt daardoor niet over enig contactgegeven. Bij elektronische betaling daarentegen beschikt men over een te naam gesteld bankrekeningnummer. Dat boezemt daardoor meer vertrouwen in dan contante betaling.
4.12.
Het eerste middel faalt derhalve. Dat roept de vraag op of het tweede middel, dat klaagt over de bewezenverklaring onder 1 en 3 van het oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” nog wel bespreking behoeft, omdat – zoals het Hof terecht heeft overwogen – voor oplichting minimaal één oplichtingsmiddel nodig is. Ik meen dat die bespreking inderdaad achterwege kan blijven. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde verandert namelijk niet als het oordeel van het Hof dat de handelwijze van de verdachte tevens kan worden aangemerkt als het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in cassatie geen stand zou houden en dit onderdeel van de bewezenverklaring dientengevolge zou wegvallen. Derhalve heeft de verdachte bij de bespreking van het middel onvoldoende belang.
4.13.
Het eerste middel faalt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

5.Middel 3

5.1.
Het derde middel klaagt over de motivering van ’s Hofs beslissing op de vordering van één van de benadeelde partijen. Het gaat om de benadeelde partij [benadeelde partij]. Hij heeft zich in deze procedure gevoegd met een vordering van € 211,43. In het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 211,43. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
5.2.
Uit het dictum van het bestreden arrest blijkt dat het Hof vervolgens een bedrag van € 243,- heeft toegewezen aan [benadeelde partij] (in plaats van € 211,43). Dit is overduidelijk een vergissing van het Hof. Het middel – dat over dit verschil klaagt – wordt terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de door het Hof gemaakte vergissing zelf rechtzetten.
6. Het eerste middel faalt. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor zover daarin aan [benadeelde partij] als benadeelde partij een bedrag van € 243,- is toegewezen en, opnieuw rechtdoende, de vordering zal toewijzen voor een bedrag van € 211,43. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Het middel verwijst in dit verband naar HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144
2.Zie hierover A.C. Diesfeldt, ‘Civielrechtelijke niet-nakoming en oplichting’, DD 2014, 62; Rosa van Zijl en Max Vermeij, Oplichting?, NJB 2012/713.
3.Zie rov. 3.3 van het in voetnoot 1 genoemde arrest.
4.Volgens
5.Zie de bewijsmiddelen 16, 18, 19 en 22. Het lijkt erop dat ten tijde van feit 3 (februari t/m april 2012) nog wel sprake was van door de verdachte gehuurde kantoorruimte. Ten tijde van feit 1 (september 2012) was dit mogelijk niet langer het geval.