In deze zaak staat centraal de vraag wie gerechtigd is tot een vordering wegens wanprestatie van KPN na diverse cessies en of de verjaring van deze vordering is gestuit. De oorspronkelijke contractanten hadden in de jaren tachtig contracten met een rechtsvoorganger van KPN voor exploitatie van 06-lijnen. Na beëindiging van de dienstverlening vorderden zij schadevergoeding wegens tekortkomingen van KPN.
Verschillende cessies van de vordering vonden plaats, onder meer aan Fine Star Trading Ltd., maar er bestond onduidelijkheid over de rechtsgeldigheid van deze overdrachten en de volmachten. De rechtbank oordeelde dat de vordering van eiser verjaard was omdat stuiting onvoldoende duidelijk was en dat Fine Star niet als rechthebbende kon optreden.
Het hof bevestigde deze oordelen en wees de klachten van eiser af, waarbij het onder meer overwoog dat de stuitingsbrieven niet ondubbelzinnig mede namens eiser waren geschreven en dat de overdracht aan Fine Star niet rechtsgeldig was vanwege onbevoegdheid van de gemachtigde. Het cassatieberoep van eiser werd verworpen omdat het hof zijn oordelen begrijpelijk en voldoende gemotiveerd had gegeven.