Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
(i)ingevolge art. 15aj(5) Wet Vpb treedt de belanghebbende voor hetgeen zij voortzet in de plaats van de eenheid. Op haar openingsbalans verschijnen de daarvóór aan de moedermaatschappij toegerekende vermogensbestanddelen. Die openingsbalans is gelijk aan belanghebbendes eindbalans als gevoegde dochter en daarop staat niet de emissieopbrengst;
(ii)‘s Hofs oordeel leidt ertoe dat de emissieopbrengst een ondeelbaar moment tot het vermogen van de [A] fiscale eenheid zou hebben behoord, hetgeen ex art. 15aj(6) Wet Vpb en art. 13d(8) Wet Vpb tot onbedoeld en ongewenst gevolg zou hebben dat die opbrengst tot [A]’s voor de belanghebbende opgeofferde bedrag zou gaan behoren. Daardoor zou [A] bij belanghebbendes liquidatie verliezen kunnen nemen die niet zijn geleden;
(iii)anders dan de Rechtbank meent, zijn HR BNB 2013/21 en onderdeel 8.6 van de conclusie voor dat arrest wel degelijk van belang: de belanghebbende sluit bij ontvoeging een boekjaar af en op de daarop volgende openingsbalans kan, gelet op de vereiste balanscontinuïteit, geen vermogen voorkomen dat niet voorkwam op haar eindbalans bij ontvoeging;
(iv)Het Hof heeft miskend dat de fiscale eenheid eindigde door de verkoop van bestaande aandelen in de belanghebbende. Die vervreemding lag blijkens art. 14(1) Besluit Fiscale Eenheid (BFE) in de tijd ná de verbreking van de eenheid. De zelfstandige belastingplicht van de belanghebbende begon dus vóórdat de gevolgen van de emissie zich voordeden. Art. 14(1) BFE geldt algemeen, dus ook hier.
(i):de emissieopbrengst behoort mijns inziens wél tot het beginvermogen van belanghebbendes eerste boekjaar na beëindiging van de fiscale eenheid met [A]. De Staatssecretaris gaat er ten onrechte van uit dat belanghebbendes openingsbalans ex art. 7(4) Wet Vpb (altijd) gelijk moet zijn aan de (tussentijdse) vermogensopstelling ex art. 13 BFE Pro. De belanghebbende verkrijgt de emissieopbrengst exact op het ontvoegingstijdstip. Art. 15aj(5) Wet Vpb is daarom niet van toepassing op die opbrengst; er is immers op dat punt geen sprake van een voortzetting van een aangelegenheid van de fiscale eenheid. Er is slechts een samenval van rechtsmomenten: emissie en ontvoeging vallen temporeel samen.
(ii):de Staatssecretaris is mijns inziens ten onrechte ongerust over een te groot opgeofferd bedrag: de emissieopbrengst heeft nooit deel uitgemaakt van het vermogen van de fiscale eenheid [A] en maakt mijns inziens dus ook geen deel uit van het voor de belanghebbende opgeofferde bedrag.
(ii):uit HR BNB 2013/21 en de conclusie daarvoor volgt slechts dat door belanghebbendes ontvoeging alleen te haren aanzien het eenheidsboekjaar eindigt, dat haar zelfstandige belastingplicht dan aanvangt en dat daarom een openingsbalans ex art. 7(4) Wet Vpb opgesteld moet worden. Ik zie niet in welk opzicht ’s Hofs oordeel daarmee onverenigbaar zou zijn.
(iv):deze grief lijkt mij feitelijke bodem te missen. Het Hof heeft vastgesteld dat de verkoop van de bestaande aandelen en de emissie van nieuwe
gelijktijdig plaatsvonden. Er waren dus twee simultane verbrekingsoorzaken. Bovendien heeft art. 14(1) BFE géén ‘algemene werking’; het moet juist beperkt, want teleologisch worden uitgelegd: het is slechts bedoeld om zeker te stellen dat bij eenheidsverbreking door verkoop van de dochter de deelnemingsvrijstelling daarop meteen van toepassing is hoewel die tijdens de eenheid niet van toepassing kan zijn, waardoor twijfel over haar toepassing zou kunnen rijzen. Die bepaling is dus geenszins maatgevend voor de vraag die in belanghebbendes geval moet worden beantwoord, die in het licht van de ratio van art. 10d Wet Vpb (oud) moet worden beantwoord. In het licht van die ratio is er geen enkele aanleiding om de emissieopbrengst niet tot belanghebbendes beginvermogen te rekenen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
depository interestsdie AIM-verhandelbaar zijn.
3.Het geding in cassatie
4.De regelgeving
Artikel 13. Vermogensopstelling
5.De totstandkomingsgeschiedenis
6.Jurisprudentie
7.Beschouwing
eventsgelijktijdig plaatsvonden en dat bovendien op datzelfde moment de emissieopbrengst tot het vermogen van de belanghebbende ging behoren, zodat dat moment ook het ontvoegingstijdstip ex art. 15aa(1)(c) Wet Vpb is (zie r.o. 7.2, geciteerd in 2.11 hierboven).
eventsveroorzaken elk op zichzelf verbreking van de fiscale eenheid. Daarover zijn de partijen het ook eens. [12] Gelet op de bedoeling van art. 14(1) BFE (zie 5.3 en 5.4 hierboven), zijn contra-intuïtieve, om niet te zeggen licht fictieve karakter, en zijn aansluiting bij verbreking van de eenheid door vervreemding, meen ik dat die bepaling in casu niet de maat geeft. Over de aard en beperkte reikwijdte van art. 14(1) BFE merkte ik in mijn conclusie voor HR BNB 2011/185 het volgende op (ik laat voetnoten weg):
iser.
ten opzichte vande (voormalige) fiscale eenheid. Tot die ‘verhoudingen’ met de (voormalige) moeder behoort niet het door de dochter van derden bij emissie per ontvoegingstijdstip verkregen kapitaal.
junctoart. 15aj(6) Wet Vpb moet in casu geïnterpreteerd worden in verband met die ‘verhoudingen’ tussen ex-moeder en ex-dochter bedoeld in art. 13 BFE Pro. De emissieopbrengst staat buiten die verhoudingen, en is daarvoor dus irrelevant. De kennelijke vrees van de Staatssecretaris dat het voor de belanghebbende opgeofferde bedrag bij [A] verhoogd wordt met de emissieopbrengst is mijns inziens dus ongegrond. Die opbrengst valt teleologisch niet onder art. 13d(8) Wet Vpb en is hoe dan ook helemaal niet door [A] opgeofferd. U zou kunnen overwegen de Staatssecretaris van
comfortdienaangaande te voorzien in een
obiter dictum(‘Opmerking verdient …’).
nietde verhouding tussen de (voormalige) moeder en de ontvoegeling betreffen.