ECLI:NL:PHR:2015:805

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
13/04981
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding en verduidelijkt teruggave in diefstalzaak

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 22 juli 2013 veroordeeld voor twee diefstallen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verdachte stelde cassatie in tegen het vonnis, waarbij twee middelen werden aangevoerd. Het eerste middel betrof de ontoereikende motivering van het hof over de bewaring van sieraden die bij verdachte waren aangetroffen, terwijl zij slechts veroordeeld was voor diefstal van geld. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat het hof aannemelijk had gemaakt dat verdachte geen recht op de sieraden claimde.

Het tweede middel betrof de vermeende onrechtmatigheid dat het hof zowel teruggave van €110 aan de benadeelde partij als een schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag had opgelegd. De Hoge Raad verbeterde de lezing van het dictum en verduidelijkte dat indien het bedrag van €110 al aan de benadeelde partij is teruggegeven, de schadevergoedingsmaatregel en de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat komen te vervallen. Tevens werd toegelicht dat de wettelijke rente vanaf de datum van de diefstal verschuldigd blijft.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep. Hiermee blijft de veroordeling en de opgelegde maatregelen in stand, met een verduidelijking van de financiële afwikkeling tussen partijen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt ambtshalve verbeterd met betrekking tot de toewijzing van de schadevergoeding en teruggave.

Conclusie

Nr. 13/04981
Mr. Machielse
Zitting 31 maart 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 22 juli 2013 voor 1 en 2: diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een taakstraf voor de duur van 40 uren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en over de in beslag genomen voorwerpen beslist.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. F. Visser, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof zijn beslissing om de bewaring van een aantal in beslag genomen goederen te gelasten ontoereikend met redenen heeft omkleed. De in beslag genomen sieraden behoren aan verdachte toe. Verdachte is alleen maar veroordeeld voor het stelen van geld en de sieraden zijn bij haar aangetroffen. Het hof had moeten onderzoeken of verdachte als rechthebbende op deze sieraden kan gelden. Het is onduidelijk hoe het hof is kunnen komen tot het oordeel dat er geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.
3.2. Het hof heeft blijkens het arrest de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de sieraden die als nr. 2, 3, 4, 5 en 14 op de beslaglijst zijn vermeld. Het gaat om vier armbanden, twee paar oorbellen, een ring, een horloge en nog drie andere sieraden.
3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep is verdachte niet verschenen, maar wel de door haar gemachtigd advocaat. Deze heeft onder meer het volgende verklaard:
"Met uitzondering van de sieraden en het bankafschrift verzoek ik u te gelasten dat het beslag moet worden teruggegeven aan mijn cliënte."
Op basis van deze uitlating heeft het hof kunnen beslissen zoals het heeft gedaan omdat het hieruit heeft kunnen afleiden dat verdachte meent geen recht op die voorwerpen te hebben. [1] Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte zowel de teruggave van € 110 aan de benadeelde partij heeft gelast als een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd voor dat bedrag.
4.2. Het hof heeft verdachte veroordeeld voor een diefstal van geld toebehorende aan [betrokkene 1] gepleegd op of omstreeks 10 september 2011 (feit 1) en voor een op 23 september 2011 gepleegde diefstal van geld toebehorende aan [A] en/of [betrokkene 1].
4.3. Bewijsmiddel 1 is de aangifte van [betrokkene 1], inhoudende dat op 10 september 2011 € 50 uit haar portemonnee is gestolen. Bewijsmiddel 2 is de aangifte van dezelfde [betrokkene 1], nu van een diefstal van € 60 op 23 september 2011. Bewijsmiddel 3 bevat de aangifte namens het verpleeghuis [A]. De locatiemanager verklaart daarin dat regelmatig geld is gestolen van de bewoners van het huis en dat telkens verdachte als invalkracht dienst deed op de data van de diefstallen. Vervolgens is een portemonnee geprepareerd met geld daarin en dat geld is door verdachte weggenomen (bewijsmiddel 3 en 4). In totaal heeft volgens het hof verdachte dus € 110 van [betrokkene 1] ontvreemd.
4.4. Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ten bedrage van € 180 overwogen dat die vordering tot het bedrag van de rechtstreekse schade kan worden toegewezen voor zover dat bedrag niet reeds is teruggegeven, heeft de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 110 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij opgelegd ten bedrage van € 110, onder de gebruikelijke clausule dat betaling uit hoofde van de ene verplichting leidt tot verval van de andere verplichting. Ook heeft het hof nog de teruggave aan [betrokkene 1] gelast van een in beslag genomen nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het op de beslaglijst onder 15 genoemde bedrag van € 110. Tevens heeft het hof de teruggave aan verdachte van een nog niet teruggegeven voorwerp gelast, te weten een bedrag van € 190 dat het hof ook als nummer 15 aanduidt. De beslaglijst die zich in het dossier bevindt, noemt onder 15 een bedrag van € 300. Klaarblijkelijk heeft het hof het bedrag onder nr. 15 van € 300 in tweeën gesplitst. Een deel van € 190 dat aan verdachte moet worden teruggegeven, en de rest, € 110, te overhandigen aan [betrokkene 1]. De overige bedragen die in het arrest zijn vermeld als aan verdachte terug te geven, nummers 18, 19, 20, en 21, komen wel overeen met de bedragen die de beslaglijst vermeldt. Het hof heeft bovendien de teruggave aan [A] bevolen van een bedrag van € 20 (nr. 16) en een bedrag van € 100 (nr. 17) terwijl de beslaglijst een bedrag van € 50 achter nr. 16 noemt en een bedrag van € 20 achter nr. 17. Klaarblijkelijk heeft het hof het oog gehad op de bedragen van € 20 en € 100 die op de beslaglijst met de nummers 17 en 18 zijn aangeduid.
Ik neem aan dat de beslissingen die aan het hof voor ogen hebben gestaan de volgende waren:
– aan [betrokkene 1] wordt € 110 uitgekeerd van het in beslag genomen geld
– aan [A] wordt van het in beslag genomen geld € 120 teruggegeven
– de rest van het in beslag genomen geld komt toe aan verdachte.
4.5. Het is verleidelijk het dictum aldus te lezen dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel komen te vervallen, met behoud van de teruggave aan [betrokkene 1] van het bedrag van € 110. Maar in dat geval loopt zij de wettelijke rente mis die verdachte moet betalen te rekenen vanaf 23 september 2011.
Te denken is ook aan een nadere clausulering van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en van de schadevergoedingsmaatregel in die zin dat aan de laatste alinea van het dictum wordt toegevoegd een zinsnede zoals "en dat op deze verplichtingen in mindering wordt gebracht het bedrag dat aan de benadeelde partij ingevolge dit arrest wordt teruggegeven". Daarmee komt het belang aan het middel te ontvallen.
5. Het eerste middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Aan het tweede middel komt het belang te ontvallen door verbeterde lezing van het dictum. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van het dictum en tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785; HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9114.