Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van de resterende klachten
onderdeel 1.1een rechtsklacht vertolkt, inhoudend dat de enkele wens door de verhuur zelf ter hand te nemen eigen controle en zeggenschap over het verhuurde te verkrijgen in beginsel geen (voldoende) relevant belang voor opzegging door de verhuurder ex art. 7:296 lid 3 BW Pro vormt, vindt het geen steun in het recht. Art. 7:296 lid 3 BW Pro vergt een afweging van belangen en laat het verder aan de rechter over deze te maken. De enige nadere – nogal voor de hand liggende – eis die de wet stelt, behelst dat de afweging redelijk moet zijn. [6]
eerst bij pleidooiin hoger beroep ingenomen stelling als uitgangspunt tardief is en niet bij de beoordeling van het geschil mag worden betrokken. Voor zover het Hof dit niet heeft miskend, is 's Hofs oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het Hof in het geheel niet motiveert dat en waarom zich in dit geval een uitzondering op die regel zou voordoen.
onderdeel 1.6valt in ieder geval/voorts zonder nadere motivering niet in te zien waarom de wens het winkelpand in de familie te laten blijven en de omstandigheid dat het fungeert als pensioenvoorziening voor de huidige eigenaar en eventueel diens erfgenamen, bijdraagt aan de conclusie dat [verweerder] belang heeft bij de verkrijging van eigen controle en zeggenschap. De voortzetting van de huurovereenkomst met Intrahof maakt immers geen einde aan [verweerders] eigendomsrecht op het winkelpand (of de verkrijging daarvan door zijn erven). Het winkelpand kan dus (mede op grond van de daaruit verkregen huurpenningen) evenzeer als pensioenvoorziening voor [verweerder] of diens erfgenamen fungeren.
onderdeel 1.7heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel in rov. 4.11, dat niet is gebleken dat is voorgewend dat [verweerder] wenst dat het pand in de familie blijft en fungeert als pensioenvoorziening voor de huidige eigenaar en eventueel diens erfgenamen en dat [verweerders] wens om zelf meer invloed te kunnen uitoefenen op de gang van zaken niet onaannemelijk is en de wens om na 22 jaar weer de controle en zeggenschap over het pand te verwerven geen onaannemelijk of onduidelijk standpunt is. Het Hof zou aldus hebben miskend dat art. 7:296 lid 3 BW Pro vereist dat de verhuurder zo'n wens tot eigen verhuur en daarmee eigen controle en zeggenschap, bij voldoende betwisting, moet bewijzen. Althans miskent het Hof dat de verhuurder die wens in ieder geval voldoende aannemelijk moet maken (
onderdeel 1.8). Voor zover het Hof dit een en ander niet heeft miskend, poneert
onderdeel 1.9dat ‘s Hofs oordeel in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd, omdat het Hof in het geheel niet aangeeft waarom [verweerders] ‘eigen controle en zeggenschaps’-wens aannemelijk zou zijn. Voor zover het Hof de niet onaannemelijkheid van [verweerders] ‘eigen controle en zeggenschap’-wens (mede) heeft doen steunen op de overweging dat in ieder geval niet valt in te zien hoe [verweerder] die wens nader moet of kan onderbouwen, is ‘s Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd. Dat niet valt in te zien hoe een partij een bepaald aangevoerd belang nader zou moeten of kunnen onderbouwen, rechtvaardigt niet, en draagt evenmin bij aan, de conclusie dat dat belang niet onaannemelijk is (laat staan bewezen of aannemelijk), aldus Intrahof.
onderdeel 1.13vormt ‘s Hofs overweging dat de huurprijsverhoging nog onderwerp is van een ex art. 7:303 BW Pro door [verweerder] geëntameerde, nog lopende, procedure en de kwestie van de huurprijsverhoging daarin thuis hoort, evenmin een begrijpelijke weerlegging van Intrahofs betoog dat [verweerders] opzegging louter een huurprijsverhoging tot doel heeft. De regel dat een opzegging niet louter tot doel mag hebben tot een huurprijsverhoging te komen, houdt immers juist verband met het feit dat art. 7:303 en Pro 7:304 BW voor het bewerkstellingen van een huurprijsaanpassing - zo partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken - een exclusieve regeling bieden. Het entameren door [verweerder] van zo'n 7:303-procedure kan Intrahofs stellingen dus hoogstens onderschrijven.
onderdeel 1.14is 's Hofs honorering in rov. 4.11 van [verweerders] beroep op de wens het winkelpand rechtstreeks te gaan verhuren en daardoor eigen controle en zeggenschap over het winkelpand te verkrijgen, in het licht van [verweerders] art. 7:304-verzoek en de nog lopende door [verweerder] geëntameerde art. 7:303-procedure onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Zonder nadere, evenwel ontbrekende, motivering is immers niet navolgbaar waarom [verweerder] die wens kan hebben, terwijl hij tegelijkertijd bij de rechter vordert in de verhouding met Intrahof een nadere (hogere) huurprijs vast te stellen en daartoe een deskundige te benoemen. Zo'n art. 7:304 -verzoek alsmede het entameren van een art. 7:303-procedure veronderstellen juist de wens de huurovereenkomst met de huidige huurder voort te zetten en wijzen dus op het ontbreken van de wens zelf tot verhuur over te gaan en zo directe controle en zeggenschap over het winkelpand te verkrijgen.
in de gelegenheid washaar investeringen terug te verdienen en een redelijk rendement te bewerkstelligen. In hoeverre zij daarin daadwerkelijk is geslaagd, is volgens het Hof geen kwestie die de verhuurder aangaat. In ieder geval is gesteld noch gebleken dat [verweerder] hierop enige invloed heeft gehad of heeft kunnen hebben. Ook indien zou vast komen te staan dat Intrahof er niet in is geslaagd om een redelijk rendement te behalen, betekent dit niet dat [verweerder] daarom zou zijn gehouden de huurovereenkomst voort te zetten (rov. 4.8).
onderdeel 3.1in het licht van de volgende, mede in onderling samenhang te beoordelen, door Intrahof aangevoerde omstandigheden, als onvoldoende gemotiveerd aan de kaak gesteld:
het aangaan van de huurovereenkomstbedoelingen had die mede waren gebaseerd op hetgeen later is voorgevallen (de handelwijze van partijen in 1995 en het nooit zijn besproken van een opzegging tijdens de huurovereenkomst).
gerechtvaardigd er op heeft mogen vertrouwendat zij het winkelpand uiteindelijk zou kunnen kopen. Ook het Hof is klaarblijkelijk van oordeel dat, ook indien de betreffende omstandigheden vast zouden komen staan, zulks niet tot een andere uitleg van de overeenkomst zou leiden of tot de conclusie noopte dat Intrahof
gerechtvaardigder op heeft
mogen vertrouwendat zij het winkelpand uiteindelijk zou kunnen kopen. ’s Hofs oordeel is van feitelijke aard, verweven als het is met allerhande waarderingen. Onbegrijpelijk is het zeker niet.
mogelijkuiteindelijk zou kunnen kopen” (cursivering toegevoegd). Ten slotte heeft ze het ter plaatse over een risico dat de huurovereenkomst “al over ca 10 jaar zou eindigen”; welnu dat is ingeval van eventuele verwerping van het beroep door Uw Raad ruim 23 jaar geworden. Last but not least: Intrahof ging er zelf van uit dat het voorkeursrecht slechts gedurende de looptijd van de huurovereenkomst zou gelden; zie mvg onder 4.5.14. Als professionele partij moet zij dat inderdaad hebben geweten.
onderdeel 3.4bouwt erop voort en postuleert wél een klacht. Rov. 4.10 zou onbegrijpelijk zijn gemotiveerd, omdat uit het gegeven dat Intrahof als gevolg van de opzegging haar voorkeursrecht niet meer kan uitoefenen geen andere conclusie kan volgen dan dat zij wel een relevant belang heeft bij voortzetting van de huurovereenkomst en daarmee bij het voortbestaan van het voorkeursrecht. Daaraan kan op zichzelf nog niet afdoen dat [verweerder] op dit moment niet voornemens is het winkelpand te verkopen, nu het voorkeursrecht juist ziet op een situatie in de toekomst dat [verweerder] wel eraan toe is het winkelpand te verkopen.
onderdeel 3.5af.
onderdeel 4.