Conclusie
SCHULDBEKENTENIS WEGENS TER LEEN ONTVANGEN GELDEN
schuldenaar,
schuldeiser,
Finale kwijting leningen/rekening courant verhoudingen/vorderingen.
primair:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“niet heeft aangeboden om [betrokkene 2] opnieuw als getuige te doen horen, laat staan onder vermelding dat deze getuige meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al had gedaan, meer precies dat een confrontatie met de beweerdelijke onjuistheden tot een nadere verklaring in het voordeel van [eiser] zou leiden”, en in rov. 15 (met betrekking tot de getuigen die [eiser] wél heeft aangeboden in hoger beroep te doen horen) dat
“(d)e (...) genoemde getuigen (…) echter niet rechtstreeks bij de onderhandelingen over de overeenkomst van geldlening betrokken (zijn) geweest, terwijl [eiser] ook niet aangeeft - hetgeen in dit stadium van de procedure van hem mocht worden verlangd - in welk opzicht verklaringen van die getuigen afbreuk zouden doen aan de in voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen.”
“laat staan onder vermelding dat deze getuige meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al had gedaan” [2] . In die overweging ligt besloten dat, zo [eiser] zou hebben aangeboden om [betrokkene 2] opnieuw als getuige te doen horen, het hof, op grond van de regel van het hiervóór (onder 2.4) reeds genoemde arrest, zou hebben verlangd dat daarbij nader zou zijn aangegeven in hoeverre deze getuige meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al had gedaan. In rov. 15 lijkt het hof de bedoelde regel tevens te hebben toegepast op het aanbod van [eiser] om vier nieuwe getuigen te doen horen. Het hof achtte immers relevant dat [eiser] niet zou hebben aangegeven
“in welk opzicht verklaringen van die getuigen afbreuk zouden doen aan de in voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen”. Naar mijn mening heeft het hof in verband met dat laatste miskend dat, wanneer het gaat om een aanbod om
nieuwegetuigen te doen horen (van welke getuigen ook niet eerder schriftelijke verklaringen zijn overgelegd), de bedoelde regel niet geldt [3] . Aan een in hoger beroep gedaan aanbod van bewijs door getuigen die niet eerder zijn gehoord en van wie ook niet eerder schriftelijke verklaringen zijn overgelegd, mag, zoals het middel terecht aanvoert, niet de eis worden gesteld dat moet worden vermeld wat die getuigen zouden kunnen verklaren [4] . Als het hof dit een en ander heeft miskend, heeft het van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.
“(d)e (…) genoemde getuigen (…) niet rechtstreeks bij de onderhandelingen over de overeenkomst van geldlening betrokken (zijn) geweest”, is het bestreden oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Men behoeft immers niet rechtstreeks bij onderhandelingen betrokken te zijn geweest om daarover een relevante verklaring te kunnen afleggen. Dat geldt temeer nu, zoals het middel aanvoert, het litigieuze bewijsaanbod vermeldt dat de genoemde getuigen een (op een kantoorgang te Rijswijk gevoerd) gesprek hebben gehoord waarin [eiser] de door [betrokkene 2] geopperde garantie heeft afgewezen. De genoemde getuigen kunnen derhalve verklaren over uit eigen waarneming bekende feiten (art. 163 Rv Pro). De door [eiser] te bewijzen aangeboden feiten waarover de getuigen volgens hem kunnen verklaren (te weten
“dat [eiser] nimmer een lening is aangegaan resp. dat [eiser] nimmer een garantie heeft verstrekt”), betreffen bovendien de kern van het onderhavige geschil [5] en zijn van invloed op de te nemen beslissing.
“niet heeft aangeboden om [betrokkene 2] opnieuw als getuige te doen horen, laat staan onder vermelding dat deze getuige meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al had gedaan, meer precies dat een confrontatie met de beweerdelijke onjuistheden tot een nadere verklaring in het voordeel van [eiser] zou leiden”, is het bestreden oordeel mijns inziens zonder nadere toelichting, die ontbreekt, eveneens onbegrijpelijk.
“in aanmerking (neemt) dat [eiser] weliswaar bij akte een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan”en in rov. 15 dat
“(a)ls eerder gezegd (…) [eiser] bij akte een gespecificeerd bewijsaanbod (heeft) gedaan.”In zoverre gaat het middel derhalve van een onjuiste lezing van het arrest uit.