De zaak betreft een hoger beroep tegen een veroordeling wegens meermalen gepleegde mishandeling. De verdachte en zijn raadsman verzochten om een gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren vanwege persoonlijke omstandigheden en de vrees dat nieuwe elementen publiekelijk bekend zouden worden.
Het hof wees dit verzoek af omdat de aangevoerde argumenten onvoldoende waren om af te wijken van de hoofdregel van openbaarheid. De verdachte had een verklaring afgelegd over zijn persoonlijke situatie, maar de verdediging gaf geen concrete inhoud aan de nieuwe elementen die privacy zouden schenden.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de juiste maatstaf toepaste, namelijk dat slechts in uitzonderlijke gevallen de privacy van de verdachte een gedeeltelijke sluiting van de deuren rechtvaardigt. De belangen van openbaarheid prevaleerden hier. Ook was het hof niet verplicht de verdachte achter gesloten deuren te horen voorafgaand aan de beslissing.
Het beroep in cassatie faalde en het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak benadrukt het belang van openbaarheid in het strafproces en de strenge criteria voor het toestaan van gesloten deuren.