Conclusie
“medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, onder aftrek als bedoeld in
art. 27 Sr Pro.
eerste middelklaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
mogelijkerwijsverloren is gegaan aan feitenmateriaal dat een eventueel alibi van de verdachte
had kunnenonderbouwen, heeft het hof kennelijk niet als voldoende concreet aangemerkt. Dat oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – bezien tegen de achtergrond van hetgeen ter zake verder ter terechtzitting aan de orde is gekomen in de fase van repliek en dupliek – niet onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het standpunt van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting.
5 mei 1969. Wij hebben de foto van [verdachte] voor [getuige 4] neergelegd en aan hem gevraagd:
dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de herkenning dient te worden getwijfeld” en daaraan de conclusie heeft verbonden dat de
uitkomst van de fotoconfrontatieals
steunbewijskan worden gebezigd. In andere woorden: het hof hecht kennelijk geen geloof aan de stellingen en de conclusies die de raadsman bij pleidooi heeft getrokken aangaande de handelwijze van de verbalisanten die zijn betrokken bij de met de verdachte gehouden verhoren en fotoconfrontatie. In het licht van hetgeen de raadsman dienaangaande heeft aangevoerd is dit oordeel overigens ook niet onbegrijpelijk.
derde middelbeoogt kennelijk (opnieuw) te klagen over de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting op de grond dat de verklaringen van getuige [getuige 4] en het resultaat van de met hem gehouden fotoconfrontatie onbetrouwbaar zijn.
22 juni 2012 op dit punt.
niet‘dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de herkenning dient te worden getwijfeld; het hof overwoog daarentegen dat het met de verdediging van mening is “
dat de verklaringen van [getuige 4] met grote terughoudendheid moeten worden bekeken, in het bijzonder nu het hof zich op basis van de inhoud van het dossier niet aan de indruk kan onttrekken dat [getuige 4] geen openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot zijn eigen rol bij het gebeuren. Dit betekent naar het oordeel van het hof, anders dan de raadsman, echter niet dat de betrouwbaarheid voor zover het betreft - kort gezegd - "de ontvoering" en de rol van verdachte als zodanig ter discussie komt te staan”, reden waarom het hof in zoverre de verklaringen van [getuige 4] toch, en dan slechts als steunbewijs, gebruikt.
steunbewijste fungeren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van wat er ter zitting door de raadsman is aangevoerd. In het bijzonder niet nu de bij pleidooi ingenomen stelling dat de verklaringen van [getuige 4] innerlijk tegenstrijdig zijn daar waar het gaat om de herkenning van de verdachte niet gedragen worden door hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag legt. [1]
vierde middelklaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om de getuige [getuige 4] ter terechtzitting te horen.
vijfde middelklaagt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk gemotiveerde standpunt van de verdediging aangaande de bruikbaarheid van het waarschijnlijkheidsoordeel van de NFI-deskundige Blankers.
SIN AADP1068NL#02
Celmateriaal kan afkomstig zijn van onbekende man A, [medeverdachte], [verdachte] en minimaal één andere persoon.” Anders dan de raadsman meent, valt hierin niet te lezen dat het betreffende celmateriaal afkomstig is van ten minste vier personen. Sterker nog, op deze zinsnede volgt letterlijk: “
Van het DNA in de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee of drie personen, waarvan minimaal één man.” Deze twee zinnen in dit rapport van 31 juli 2012 zijn consistent. De eerste zin betekent uitsluitend dat in het mengprofiel dat is verkregen uit de bemonstering van de binnenzijde van de linker handschoen DNA-kenmerken zijn waargenomen die overeenkomen met DNA-kenmerken van de onbekende man A, met die van [medeverdachte], en met die van [verdachte], doch tevens DNA-kenmerken die
nietkunnen worden thuisgebracht bij een van deze drie personen. Door in de eerstbedoelde zin te lezen dat in de bemonstering DNA-materiaal aanwezig moet zijn geweest van ten minste deze drie personen gezamenlijk met dat van een vierde onbekende persoon, miskent de raadsman en de steller van het middel de betekenis van deze mededeling van Blankers.
vergelijkbarehypothesen. Het voorstel van de raadsman (zie pleitnota onder nr. 89) om als “B-hypothese” uit te gaan van een “
willekeurig aantal willekeurig gekozen personen” verdient dus geen navolging.
andertweetal hypothesen. Die enkele omstandigheid maakt het DNA-onderzoek echter niet onvolledig en al zeker niet onzorgvuldig.
datdrie individuen daadwerkelijk hebben bijgedragen aan de bemonstering. De deskundige geeft niets meer of minder dan een beschouwing over het onderzoeksresultaat
indiendrie individuen daaraan hebben bijgedragen.
zesde middelklaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek om de deskundige Blankers van het NFI ter terechtzitting te horen.