Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Inhoud kluis
( de familie [...] heeft een bijzondere belangstelling voor horloges die niet zelden een behoorlijke waarde vertegenwoordigen), sieraden en wellicht ook wat geld (…). (…)
(Op de vraag: wie deed er geld in de kluis?): Ik vermoed mijn broer en [medeverdachte 1].
(Op de vraag: hoe vaak haalde [medeverdachte 3] geld uit de kluis?): Dat heb ik nooit gezien. Als hij boven was ben ik nooit meegegaan.
Als ik had geweten dat er zoveel geld in zat dan had ik dat nooit in huis willen hebben.”
datde kluis in haar woning geld bevatte, maar dat zij slechts opkeek van de
hoeveelheidgeld die daarin is aangetroffen. Dit gegeven in combinatie met het feit dat de kluis van de broer van verdachte was die deze kluis bij haar (en haar man [medeverdachte 1]) in huis, op zolder en uit het zicht, had geplaatst, waarbij verdachte wist dat haar broer zich bezigheid met hennepteelt, een criminele activiteit waarvan algemeen bekend is dat het aanzienlijke contante winsten genereert, en in combinatie met het geenszins onbegrijpelijke oordeel van het hof dat de alternatieve lezing van verdachte als hoogst ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven, maakt dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zoals bewezenverklaard “wist” (waaronder ook voorwaardelijk opzet valt) dat de kluis van haar broer een groot van misdrijf afkomstig geldbedrag bevatte, wel degelijk voldoende is gemotiveerd.