Conclusie
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
middelen 1 en 2komen, zoals door [eiser] samengevat in zijn schriftelijke toelichting [11] op het volgende neer. De in eerste aanleg door [eiser] gevorderde gewasschade betreft de gewasschade die [eiser] tot 10 oktober 1993 heeft geleden. Daarover is door het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2007 definitief beslist. Het desbetreffende vonnis van de rechtbank van 7 september 1995 heeft in zoverre gezag van gewijsde tussen partijen.
“In feite behoort een deel van die opbrengstderving thans wederom als rooischade te worden gezien daar die destijds niet als opbrengstderving is meegenomen (…) f. 1.189.475,-- het reële bedrag is (…) Ook dit schadebedrag dient derhalve te worden meegenomen.”de discussie op dat punt te heropenen, kan daarop geen acht worden geslagen. Het is in deze procedure in strijd met de goede procesorde om thans opnieuw de gewasschade aan de orde te stellen, ook als dat indirect gebeurt. Nu in 1994 een dagvaarding is uitgebracht waarin wegens gewasschade vergoeding van hfl. 487.138,21 is gevorderd en over de vordering tot aan de Hoge Raad gedurende 14 jaar is geprocedeerd, terwijl in 2008 nog op de comparitie is medegedeeld dat de gewasschade tussen partijen zal worden geregeld, is nu geen ruimte meer voor verder debat op dat punt, ook niet door nu een extra schadepost mee te nemen in de berekening van de rooischade. (…)”
grieven II en IIItracht [eiser] ingang te doen vinden dat een – tot op heden niet vergoed – gedeelte van de gewasschade als ware het rooischade alsnog voor vergoeding in aanmerking dient te komen, en wel – zoals [eiser] het formuleert – “omdat die destijds niet als opbrengstderving is meegenomen”. Zoals het hof de opstelling van [eiser] begrijpt, staat zijns inziens het eerdere gewijsde met betrekking tot de gewasschade er niet aan in de weg dat hij aanspraak heeft op vergoeding van
alledoor hem gestelde schade.