Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
5.Bestelauto’s: belastbaar feit, maatstaf, teruggaaf en vrijstelling van BPM
bij de eerste ingebruikneming van een motorrijtuig op het Nederlandse wegennet voort te zetten, gehonoreerd. Aangrijpingspunt van de heffing is dan
de toetreding tot het Nederlandse wegennetmet een motorrijtuig door in Nederland gevestigde personen. Het karakter van de huidige bvb - als verbruiksbelasting verdwijnt daarmee; de nieuwe belasting staat wat losser van het motorrijtuig zelf, maar treft veeleer het toetreden tot het verkeer op de Nederlandse openbare weg.”
zoveel als mogelijk de gevestigde praktijk voort te zetten,dient zich in wezen als enig bruikbaar alternatief aan -
en bestelauto’s.
een bestelautoin het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.”
waaroverter zake van de registratie van de (bestel)auto geheven wordt.
Daarbij is de duur van de specifieke gebruikseis niet de gehele economische levensduur van de auto, maar (…) alleen de eerste vijf jaren na de registratie van de bestelauto. (…) leidt deze bepaling ertoe dat bij verkoop van de auto door een ondernemer aan een particulier binnen de eerste vijf jaar van de gebruiksduur (vanaf de registratie van de auto), de verkoper BPM verschuldigd wordt, waarbij een vermindering wordt toegepast op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel van de BPM. (…) Zoals hiervoor is gesteld, is een uitgangspunt van de teruggaaf van BPM dat de faciliteit alleen geldt gedurende de eerste vijf jaren van de gebruiksduur van de bestelauto. In het algemeen valt deze periode samen met de periode van vijf jaren die aanvangt bij de registratie van de bestelauto in het kentekenregister op het moment dat de bestelauto nog in ongebruikte staat is.
In een betrekkelijk klein deel van de registraties van bestelauto’s doet zich echter de situatie voor dat de bestelauto zich bij de registratie reeds in gebruikte staat bevindt. Dat doet zich in het bijzonder voor bij de invoer in ons land van bestelauto’s in gebruikte staat.Indien voor die situatie de termijn van vijf jaren (pas) zou aanvangen bij de registratie, zou een ongelijke situatie ontstaan ten opzichte van bestelauto’s die (reeds) sinds de registratie in ongebruikte staat onder het regime van de BPM vallen. Om deze eventuele ongelijkheid weg te nemen, voorziet het zevende lid erin dat de gebruiksduur voorafgaande aan de registratie in mindering wordt gebracht op de termijn van vijf jaren. In dat licht moet eveneens de wijziging van artikel 10 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 worden gezien.
Door het nieuwe derde lid van dat artikel wordt de vermindering van de BPM die verschuldigd wordt ter zake van een gebruikte bestelauto op 100% gebracht voor een bestelauto van vijf jaar of ouder.”
blijft heffing van de resterende BPM achterwege als er na de eerste ingebruikname in het buitenland vijf jaren of meer zijn verstreken.”
In een betrekkelijk klein deel van de registraties van bestelauto’s doet zich echter de situatie voor dat de bestelauto zich bij de registratie reeds in gebruikte staat bevindt. Dat doet zich in het bijzonder voor bij de invoer in ons land van bestelauto’s in gebruikte staat.Indien voor die situatie de termijn van vijf jaren (pas) zou aanvangen bij de registratie, zou een ongelijke situatie ontstaan ten opzichte van bestelauto’s die (reeds) sinds de registratie in ongebruikte staat onder het regime van de BPM vallen.
Om deze eventuele ongelijkheid weg te nemen, voorziet het zevende lid erin dat de gebruiksduur voorafgaande aan de registratie in mindering wordt gebracht op de termijn van vijf jaren.”
zesde lidals belasting verschuldigd.
Artikel 10, derde, vierde, vijfde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing(…).”
Daarmee kan desgewenst voor iedere uit een ander land afkomstige auto rekening worden gehouden met de voor die auto geldende individuele afschrijving. Hiermee is gewaarborgd dat de BPM voor een motorrijtuig uit een andere lidstaat niet meer bedraagt dan de BPM die nog drukt op een vergelijkbaar motorrijtuig dat vanaf het begin in de BPM-heffing is betrokken.De regeling voorkomt dat de BPM-heffing op dit punt een ongeoorloofde belemmering kan vormen voor het vrije verkeer van goederen en diensten tussen de lidstaten.
Voor zover de diverse bijzondere regelingen voor binnenlandse auto’s aansloten bij de afschrijvingsregels voor geïmporteerde auto’s, had deze wijziging echter tot gevolg dat de BPM ook voor binnenlandse situaties berekend zou kunnen worden aan de hand van een individuele waardebepaling.Hoewel tot nu toe in dergelijke situaties overwegend gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire tabel, zijn er signalen dat het beroep op een individuele waardering per auto toeneemt.
Deze consequentie is naar het oordeel van het kabinet niet wenselijk. In deze binnenlandse situaties heeft het primaire belastbare feit, registratie of aanvang van het gebruik van de weg in Nederland, zich al eerder voorgedaan. Het past niet in de systematiek van een eenmalige registratiebelasting dat op een later tijdstip het belastingbedrag opnieuw ter discussie kan worden gesteld bij toepassing van een fiscale faciliteit.Daar komt bij dat een individuele waardebepaling leidt tot relatief hoge uitvoeringskosten, terwijl er gezien de taakstelling van de Belastingdienst juist een streven is naar een meer eenvoudige uitvoeringspraktijk. Gezien het voorgaande zal in de desbetreffende regelingen expliciet worden opgenomen dat de belasting of een vermindering of teruggaaf van de belasting voor binnenlandse gebruikte auto’s wordt vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.”
uit andere lidstatenniet zwaarder mogen belasten.
De regeling voorziet niet in een aparte tabel voor bestelauto’s. Door de afschrijving na verloop van 5 jaren forfaitair te stellen op 100 procent wordt wel mede bereikt, dat rekening wordt gehouden met de onder omstandigheden snellere afschrijving van bestelauto’s.(…) Gebruikte bestelauto’s die binnen de termijn van 5 jaren worden doorverkocht aan particulieren, waarbij alsnog BPM wordt geheven, zullen overigens qua patroon van waardevermindering vaak niet sterk afwijken van personenauto’s, omdat dit veelal niet de puur voor goederenvervoer bedoelde ‘echte bestelbussen’ zullen zijn.”
6.De bestelauto van belanghebbende
in Nederlandals nieuw is geregistreerd op 18 juni 2007 (en waarvoor, ervan uitgaande dat die bestelauto op die datum op naam van een ondernemer is gesteld, vrijstelling is verleend). Anders gezegd: als belanghebbende de(zelfde) bestelauto op 8 juni 2011 [43] van een Nederlandse ondernemer had gekocht, had boven die bestelauto (ook) nog een zwaard van € 6.170 aan bpm gehangen.
personenauto (en niet van een
bestelauto) weer te geven. Dat neemt echter niet weg dat de wet nu eenmaal luidt zoals zij luidt: lex dura, sed lex. .Zoals ik opmerkte in punt 6.9 van deze conclusie staat ook het Europese recht in een geval als het onderhavige niet in de weg aan toepassing van het wettelijke voorschrift, nu in casu een binnenlandse, ‘interne’ situatie aan de orde is.