Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Belastingblad2014/417 met noot Makkinga.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
De gemeente beoordeelt of de activiteiten in voldoende mate het algemeen belang dienen (onderstreping gemeente Den Haag).
De vraag of bepaalde activiteiten in voldoende mate het publiek belang dienen hoort ook in het politieke domein beantwoord te worden (onderstreping gemeente Den Haag)."
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Naast de voormelde kwalitatieve vraag zal in hoger beroep wellicht ook een kwantitatieve vraag moeten worden beantwoord. De rechtbank komt tot het oordeel dat de activiteiten niet ‘in betekende mate’ aan de doelstelling van de BIZ voldoen. Recent werd in betekenende mate door de Hoge Raad in het licht van het rioolrecht uitgelegd als >10%, terwijl dit in het verleden hiervoor ook als >25% werd uitgelegd. Mij lijkt het echter logisch om als eis te stellen dat de activiteiten zich hoofdzakelijk (>70%) richten op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte.
De onderhavige BI-zone betreft een winkelgebied. Welke activiteiten in een winkelgebied voldoen aan het publiekbelangvereiste? Gedacht kan worden aan de inhuur van gezamenlijke surveillancediensten, camerabewaking, vaker schoonmaken, graffitiverwijdering, herstel van schade, extra onderhoud van groen en opwaardering van de publieke ruimte. Die activiteiten mogen volgens het hof niet alleen zijn gericht op het bevorderen van belangen van winkeliers (promotie BI-zone, communicatie winkeliers). Van de kosten van de krant van het onderhavige winkelgebied – die voornamelijk door het winkelende publiek zal worden gelezen – is het hof van mening dat die dienen om (herhalings)bezoeken van het publiek te bevorderen en vallen dus ook onder de noemer promotie. Uitgaven van gebiedspromotie kunnen wel met de BIZ-bijdrage worden bekostigd, mits die gebiedspromotie zowel het gezamenlijke belang van de winkeliers alsook het algemeen belang dient en aanvullend is ten opzichte van de diensten van de gemeente (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 930, nr. 3, p. 20). Kennelijk was daarvan volgens het hof geen sprake. Lastig om in het kader van het publiekbelangvereiste tussen beide een onderscheid te maken in een winkelgebied. Een dergelijk gebied is bestemd om te winkelen en dat wordt met de onderhavige promotie wel bevorderd. Met andere woorden: met het belang van de winkeliers kan ook het belang van het publiek worden gediend en omgekeerd. Voor activiteiten die zuiver intern zijn gericht – dat wil zeggen: ten behoeve van de winkeliers zelf zoals interne communicatie – is het duidelijk dat daarmee niet aan het publiekbelangvereiste wordt voldaan. Met activiteiten die het winkelgenot als zodanig bevorderen – inhuur van gezamenlijke surveillancediensten en dergelijke – wordt wel aan het publiekbelangvereiste voldaan, al hebben de winkeliers daar nadrukkelijk ook belang bij. Promotie om alleen maar meer publiek aan te trekken, voldoet niet aan het publiekbelangvereiste doch dient de winkeliers.
5.Beschouwing en beoordeling
Het eerste middel
De gemeente beoordeelt of de activiteiten in voldoende mate het algemeen belang dienen(onderstreping toegevoegd).
De vraag of bepaalde activiteiten in voldoende mate het publiek belang dienen hoort ook in het politieke domein beantwoord te worden(onderstreping toegevoegd).
waaronder de vraag of de activiteiten die de ondernemers beogen in voldoende mate het algemeen belang dienen(onderstreping A-G).