Conclusie
Flexabram B.V.,
Onroerend Goedontwikkeling-en Exploitatiemaatschappij Iprem B.V.,
1.Feiten en procesverloop
- i) Eiseres in het principale cassatieberoep, verweerster in het incidentele cassatieberoep (hierna: Flexabram) en verweerster in het principale cassatieberoep, eiseres in het incidentele cassatieberoep (hierna: Iprem) handelen en beleggen beiden in vastgoed.
- ii) Iprem heeft op 7 maart 2007 aan Flexabram een te Duivendrecht gelegen bedrijfsverzamelgebouw (hierna: het pand) verkocht voor een koopprijs van € 19.460.000,--. In artikel 6 van Pro de koopovereenkomst is onder meer de verklaring opgenomen:
- iii) Flexabram heeft het pand kort na de aankoop, buiten medeweten van Iprem, doorverkocht aan [A] (hierna: [A]) voor een koopsom van ongeveer € 20.960.000. Flexabram heeft in het kader van deze verkoop aan [A] een huurgarantie voor de onverhuurde ruimte afgegeven, die vergelijkbaar is met de tussen Flexabram en Iprem overeengekomen huurgarantie maar waarmee een huurbedrag van € 110.000,- per jaar wordt gegarandeerd.
- iv) Flexabram heeft het pand op 28 juni 2007 aan [A] geleverd. Iprem heeft in augustus 2007 vernomen dat het pand aan [A] was verkocht en geleverd.
- v) Uit hoofde van de huurgarantie heeft Iprem vanaf april 2007 op jaarbasis een bedrag van € 156.780,— aan Flexabram voldaan. Zij is per 1 juli 2010 gestopt met die betalingen.
- vi) [A] heeft de onverhuurde ruimte per 1 november 2010 verhuurd aan Retif, een door Iprem gevonden huurder. De met deze huurder overeengekomen huurprijs bedraagt € 115.815,- (excl. btw) per jaar. Met de betaling daarvan is Retif per 1 februari 2011 begonnen.
( [1] )Subsidiair heeft Flexabram gedeeltelijke ontbinding van de met Iprem gesloten koopovereenkomst gevorderd, in die zin dat de tussen Flexabram en Iprem overeengekomen koopprijs wegens lagere huurwaarde van het pand met een bedrag van € 204.825,- wordt verminderd, zodat Iprem uit hoofde van een ongedaanmakingsverplichting een bedrag van die grootte aan Flexabram heeft te betalen.
( [2] )
( [3] )De hierboven vermelde vorderingen in conventie van Flexabram wijst de rechtbank toe behalve wegens gebrek aan relevantie die inzake de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst. De vorderingen in reconventie van Iprem wijst zij af. Verder veroordeelt zij Iprem zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
( [4] ); met een doorverkoop zou immers de positie van Flexabram een geheel andere zijn geworden.
bij het aangaan van de koopovereenkomstter zake van de duur van de huurgarantie heeft voorgezeten, afleidt welk gevolg aan de snelle doorverkoop door Flexabram van het pand aan [A] is te verbinden. Ter vaststelling van die bedoeling knoopt het hof in eerste instantie aan bij de bewoordingen van artikel 2.i.2 van de koopovereenkomst, maar die bewoordingen acht het hof te dezen niet doorslaggevend. Het neemt ook in aanmerking het aan Iprem bekende oogmerk van Flexabram bij de koop van het pand om het pand aan te houden als belegging in de zin van het voor langere tijd aanhouden van het pand ten einde gedurende die tijd van de opbrengsten van het pand te genieten. Dat oogmerk impliceert naar het oordeel van het hof dat reeds bij het sluiten van de koopovereenkomst het de bedoeling van partijen was dat de huurgarantie ook bij verkoop van het pand zou eindigen. Dit laatste brengt het hof tot uitdrukking door te overwegen dat, indien partijen bij het sluiten van de overeenkomst aan het geval van doorverkoop van het pand door Flexabram zouden hebben gedacht, zij dan expliciet zouden hebben bepaald dat de huurgarantie ook bij een doorverkoop zou vervallen. Een en ander impliceert dat het hof tot het vervallen zijn van de huurgarantie per 28 juni 2007 niet concludeert op grond van invulling op grond van de redelijkheid en billijkheid van een in artikel 2.i.2 van de koopovereenkomst geconstateerde leemte.
1.1.a van subonderdeel 1.1wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat ook bij het toepassen van de Haviltex-norm bij het uitleggen van een schriftelijk contract
( [5] )van groot belang is, althans vaak, de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het schriftelijk contract, gelezen in de context van dat geschrift, en dat dat te meer geldt wanneer het bij de uitleg gaat om een scenario waarmee partijen bij het sluiten van het contract geen rekening hebben gehouden.
( [6] )Of in een geval van uitleg, waarbij een scenario speelt waaraan de betrokken partijen bij het sluiten van het schriftelijke contract niet hebben gedacht, de taalkundige betekenis van de in het contract gebezigde bewoordingen in nog sterkere mate van groot belang is, valt, zo schijnt het toe, niet in zijn algemeenheid te zeggen. Ook in een dergelijk geval zal het gewicht van de diverse factoren, die bij de uitleg aan de van de Haviltex-norm een rol spelen, worden bepaald door de aard van de omstandigheden van het betrokken geval.
1.1.b van subonderdeel 1.1wordt er over geklaagd dat het hof heeft miskend dat uit het gegeven dat partijen geen rekening hebben gehouden met een doorverkoop voordat de garanties waren uitgewerkt, sec niet volgt dat het hof dus niet (verder/langer) aan de hand van de Haviltexmaatstaf zou hebben hoeven te onderzoeken welke zin Iprem en Flexabram in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de huurgarantiebepaling in artikel 2.i.2 mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Aansluitend wordt een beschrijving gegeven van de zin die Flexabram ondanks genoemd gegeven aan de huurgarantiebepaling mocht toekennen. Dan volgt nog de klacht dat het hof miskent dat het bij uitleg van een contract eindelijk aankomt op
“de zin die pp in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
1.1.c van subonderdeel 1.1worden in verband met s’-hofs verwijzing in rov. 2.6.2 naar par. 4 van de conclusie van repliek van Flexabram twee klachten aangevoerd, waarvan de eerste gelijk is aan de hiervoor in 2.4.1 vermelde tweede klacht. Voor die eerste klacht geldt dan eveneens dat zij wegens gemis aan feitelijke grondslag geen doel treft.
“dat, indien zij dat wel hadden gedaan, de gegeven garanties zouden eindigen op het moment van de doorverkoop, omdat op dat moment de positie van Flexbram een geheel andere zou zijn geworden.”In subonderdeel 1.2 wordt aan deze passage de conclusie verbonden dat het hof hiermee een juridisch hypothetische uitleg resp. juridisch normatieve uitleg toepast. En dat geeft aanleiding om wederom te klagen over miskenning door het hof van de Haviltex-maatstaf. Bij de toepassing van die maatstaf, zo wordt betoogd, gaat het nu eenmaal niet erom datgene te achterhalen wat partijen met elkaar zouden hebben afgesproken als zij rekening zouden hebben gehouden met iets waarmee zij geen rekening hebben gehouden. Wat partijen hebben afgesproken, hangt immers niet af van wat zij afgesproken zouden hebben in een hypothetisch, zich niet voorgedaan hebbend geval.
( [7] )Deze weg van uitleg volgt het hof te dezen.
( [8] )
( [9] )
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
“indien en voor zover deze meer aan Flexabram heeft voldaan dan zij verplicht was uit hoofde van het vonnis en dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der betaling door Iprem tot die der algehele terugbetaling door Flexabram.”
medevordering 1. toewijst, dan heeft het hof miskend dat het tevens het bedrag van € 491.194,- had moeten vermelden; Iprem heeft recht op en belang bij het met zoveel woorden vastleggen van dat bedrag in het dictum; door dat na te laten heeft het hof niet voldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven en is er sprake van een onbegrijpelijk (eind)oordeel;
“indien en voor zover deze meer aan Flexabram heeft voldaan dan zij verplicht was uit hoofde van het vonnis en dit arrest”.Is de veroordeling met deze begrenzing aldus te verstaan dat daarmee ook vordering 1. wordt toegewezen? Zoals hierboven al ter sprake is gekomen, komt het hof bij de behandeling in rov. 2.6.2 van de door Ibrem aangevoerde grief 3 voor wat de duur van de huurgarantie betreft tot een uitleg die meebrengt dat de door Iprem in de periode 28 juni 2007 tot 1 juli 2010 uit hoofde van de huurgarantie aan Flexabram betaalde bedragen onverschuldigd zijn betaald. Dat brengt mee dat vordering 1. voor toewijzing in aanmerking komt. Aan het slot van de derde grief concludeert het hof:
“De derde grief slaagt derhalve en het hof zal de desbetreffende vorderingen alsnog afwijzen.”Aangezien het hof alleen spreekt van afwijzing van de desbetreffende vorderingen en vordering 1. bij het slagen van grief 3 voor toewijzing in aanmerking kwam, moet worden aangenomen dat de conclusie geen betrekking heeft op vordering 1. Van een alsnog voor toewijzing in aanmerking komen van vordering 1. rept het hof daarnaast niet. In de eerste volzin van rov. 2.9 geeft het hof te kennen dat het gedeeltelijk slagen van de principale grieven – waaronder grief 3 – hem aanleiding geeft alsnog de betreffende vorderingen van Flexabram af te wijzen. De slotzin van rov. 2.9 luidt:
“Voorts dient Flexabram aan Ibrem terug te betalen hetgeen deze op grond van het vonnis[van de rechtbank]
meer aan Flexabram heeft voldaan dan waartoe zij thans is gehouden, met rente zoals gevorderd.”Hierin valt ook geen referte aan vordering 1. te onderkennen. Wat zojuist omtrent de rov. 2.6.2 en 2.9 is opgemerkt wijst erop dat het hof in de hiervoor vermelde veroordeling in het dictum vordering 1. niet heeft betrokken. Dit zo zijnde is de klacht over schending van artikel 23 Rv Pro gegrond te achten en komt het arrest op dit punt voor vernietiging in aanmerking.
“De principale grieven slagen gedeeltelijk zodat het hof het vonnis voor zover in conventie gewezen eveneens gedeeltelijk zal vernietigen als hierna te doen en alsnog de desbetreffende vorderingen van Flexabram zal afwijzen. Het incidenteel beroep faalt. Het hof ziet bij deze uitkomst geen aanleiding de kostenveroordeling van de eerste aanleg te wijzigen.”
“De partij die bij vonnis in het ongelijk is gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd (…) indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.”De woorden ‘in het ongelijk zijn gesteld’ zien op dat wat de betrokken uitspraak voor een procespartij op grond van een vergelijking van zijn vorderingen en het dictum in materieel opzicht heeft opgeleverd. Het woord ‘mogen’ wijst op een ruime beleidsvrijheid van de rechter te dezen, maar onbegrensd is die vrijheid niet. De kostenbeslissing kan in cassatie met rechtsklachten worden bestreden maar ook met motiveringsklachten, zij het dat er voor dit laatste type klachten minder ruimte is. Vanwege genoemde beleidsvrijheid vormt uit cassatietechnisch oogpunt de beslissing inzake de proceskosten immers een in sterke mate aan de feitenrechter voorbehouden beslissing waaraan geen hoge motiveringseisen zijn te stellen.
( [10] )