Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel I.1tegen de rechtsoverwegingen 5.10.3-5.10.7 van het tussenarrest van het hof van 17 december 2013 en klaagt erover, kort gezegd, dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het (impliciet) heeft geoordeeld dat een agrarische bestemming ingevolge het toepasselijke bestemmingsplan onder de reikwijdte van art. 7:15 BW Pro valt. Ter onderbouwing verwijst het onderdeel naar HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76 (Portsight/[...]).
onderdeel I.6van het middel terecht aanvoert. Zelfstandige betekenis heeft laatstbedoeld onderdeel echter niet.
onderdeel I.3en
onderdeel I.4naar voren brengen raakt de gegrondheid van onderdeel I.1 ook de rechtsoverwegingen 5.10.3-5.10.13 en het dictum van het tussenarrest voor zover het hof daar voortbouwt op de veronderstelde toepasselijkheid (en schending) van art. 7:15 BW Pro. Hetzelfde geldt voor rechtsoverwegingen 12.1 e.v. en het dictum van het eindarrest, zoals
onderdeel I.5in de eerste alinea aanvoert. De overige twee alinea’s van onderdeel I.5 hebben geen zelfstandige betekenis: voor zover er een voortbouwklacht in ligt besloten is die klacht reeds besproken en voor zover wordt geklaagd over rechtsoverweging 12.41 met betrekking tot dwaling, stelt onderdeel IV een en ander meer uitvoerig aan de orde.
onderdeel I.2is een inleiding op het vervolg en bevat geen zelfstandige klacht. De tweede alinea van het onderdeel heeft geen zelfstandige betekenis ten opzichte van onderdeel I.1. De derde en volgende alinea van het onderdeel klagen erover, kort gezegd, dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat [betrokkene 1] en [eiser] wisten dat het perceel geen (gewone) woonbestemming had en dat voor bewoning toestemming noodzakelijk of gewenst was. Bij bespreking van deze klachten heeft [eiser] geen belang wat betreft de grondslag van art. 7:15 BW Pro, omdat uit het voorgaande reeds blijkt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat die bepaling hier toepassing vindt. Omdat de overwegingen echter mogelijk van belang zijn voor de door het hof gebezigde alternatieve grondslag voor de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [verweerders], namelijk dwaling (zie hierna onder 2.20 e.v.), zal ik de klachten hierna volledigheidshalve toch bespreken.
agrarischvan karakter is (en dus bewoning alleen is toegelaten in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf).
als zodanig:die zou wel degelijk een gewone (niet-agrarische) woonbestemming zijn. Ik lees niet in het middel dat het erover klaagt dat het hof heeft aangenomen dat de onroerende zaak formeel, dus volgens het bestemmingsplan, een agrarische bestemming heeft. Zou dat al anders zijn, dan faalt in zoverre het middel. [verweerders] hebben hun stelling dat de onroerende zaak een agrarische bestemming heeft, geadstrueerd door het overleggen van een kopie van het relevante gedeelte van de plankaart van het bestemmingsplan Buitengebied Grubbenvorst 1998 (bijlage 2 bij de memorie van grieven). Op die kaart is de onroerende zaak zichtbaar met het huisnummer (Losbaan) 1 en bovendien met een pijl gemarkeerd. De op de kaart zichtbare arcering heeft volgens de eveneens overgelegde legenda van het plan de betekenis van de bestemming ‘Agrarisch gebied A.’ Dat daartegenover de bedoelde stellingen van [eiser] en [betrokkene 1] geen (gemotiveerde) betwisting van de door [verweerders] gestelde agrarische bestemming konden opleveren, behoefde in redelijkheid geen motivering. Ten overvloede merk ik op dat stelling 6 de formele agrarische bestemming juist lijkt te bevestigen.
wistdat de onroerende zaak formeel een agrarische bestemming had wél nader gemotiveerd, zie de hierna aangehaalde rechtsoverweging 5.10.5 van het tussenarrest van 17 december 2013. Dat het hof daarbij niet is ingegaan op de stellingen sub 2, 4 en 6 is niet onbegrijpelijk. Zoals gezegd: die stellingen zijn een betwisting van de formele bestemming als zodanig en niet van de wetenschap van [betrokkene 1] van die formele bestemming. Ook stelling sub 7 behoefde het hof niet op te vatten als een betwisting van de wetenschap van [betrokkene 1] van de
formelebestemming. Dat ook die stelling onbesproken blijft is dus evenmin onbegrijpelijk. Stelling 3 (voor zover op te vatten als een betwisting van de wetenschap van [betrokkene 1] van de formele bestemming) is ongemotiveerd (‘[betrokkene 1] weet niet beter dan…’). Ook daarop behoefde het hof niet in te gaan.
anders dan in de [het] kader van de uitoefening van een agrarische onderneming.Herhaald zij: de exacte tekst van het verzoek is niet bekend, maar gelet op het antwoord moeten [eiser] en [betrokkene 1] zich ervan bewust zijn geweest dat het verkrijgen van toestemming om (ook) aldaar te gaan wonen noodzakelijk of gewenst was.’
onderdeel IIIvan het middel geldt eveneens dat het is voorgesteld voor het geval onder meer onderdeel I.1 niet zou opgaan.
ookuitdrukkelijk zijn vordering zowel gebaseerd op dwaling als op art. 7:15 BW Pro.’
nietvoor de hand ligt dat de verkoper de (hogere) koopprijs – die een gewone, niet-agrarische woonbestemming veronderstelt – ten volle zal kunnen behouden. Bedoelde passende uitkomst kan niet worden gegrond op art. 7:15 BW Pro, zoals het hof meende (zie hiervóór, naar aanleiding van onderdeel I.1). Maar het ligt voor de hand dat het resultaat waartoe het hof is gekomen (nogmaals: afgezien van de kwestie van eigen schuld) wel op andere gronden kan worden bereikt. Daarbij denk ik aan art. 7:17 jo Pro. 6:74 BW (non-conformiteit), maar ook aan dwaling (art. 6:228 BW Pro) in samenhang met hetzij art. 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) hetzij art. 6:230 BW Pro (wijziging van de overeenkomst). Dat het hof geen toepassing heeft gegeven aan art. 7:17 BW Pro is evident. Ook heeft het, zo dunkt mij, geen toepassing gegeven aan art. 6:230 BW Pro, want in dat geval ligt voor de hand dat het hof van ‘wijziging’ (in plaats van schadevergoeding) zou hebben gesproken. Maar, zo zou ik willen aannemen, het hof heeft wél toepassing gegeven aan art. 6:162 BW Pro, waarbij het heeft aangenomen dat waar de aan de zijde van [verweerders] bestaande dwaling werd veroorzaakt door de schending van een mededelingsplicht door [betrokkene 1] en [eiser], dezen hebben gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
juridischegronden die niet in de stellingen van partijen besloten liggen, ook al zijn de feiten die voor die gronden nodig zijn op reguliere wijze ter kennis van de rechter gekomen (omdat ze uit het dossier blijken, dan wel van algemene bekendheid zijn, art. 149 Rv Pro). [10] Toch is die uitleg te beperkt. Het gebod van het aanvullen van de rechtsgronden veronderstelt een zekere vrijheid van de rechter tot het zelfstandig kwalificeren van de feiten, zij het ook dat hij daarbij hoor en wederhoor niet behoort te vergeten. Maakt men van art. 24 Rv Pro een slokop, dan wordt het gebod van het aanvullen van de rechtsgronden tot een holle frase. [11]
onderdeel Vtegen rechtsoverweging 12.46 van het eindarrest van 16 juni 2015. Die overweging luidt als volgt:
wel of niet, dus van wat we een ‘digitale’ vraag zouden kunnen noemen (1 of 0). [18] De bedoelde voorrangsregel verhindert dat het resultaat van de beantwoording van die vraag kan zijn dat de dwalende geheel en al met lege handen achterblijft (hoewel de wederpartij een mededelingsplicht schond). Het ligt alleszins voor de hand dat dezelfde of een vergelijkbare voorrangsregel geldt bij andere digitale vragen, waaronder de vraag of aansprakelijkheid bestaat, bijvoorbeeld uit hoofde van non-conformiteit (art. 7:17 jo Pro. 6:74 BW) of onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro). Opnieuw verhindert de voorrangsregel dan dat de partij wiens wederpartij een mededelingsplicht heeft geschonden, geheel en al met lege handen achterblijft.
meer of minderbetreffen. De regel van art. 6:101 BW Pro met betrekking tot eigen schuld is bij uitstek een analoge regel in de zojuist bedoelde zin, ze betreft immers de verdeling van de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (eventueel te corrigeren op grond van de billijkheid). Als de voorrang van de mededelingsplicht boven de onderzoeksplicht in de context van deze analoge regel al gelding heeft, zou zij daar mijns inziens hoe dan ook een wezenlijk andere rol moeten spelen (dan bij de hiervoor bedoelde regels met betrekking tot digitale vragen). Het vertrekpunt van art. 6:101 BW Pro is het bestaan van een vergoedingsplicht. Het resultaat dat de benadeelde geheel en al met lege handen achterblijft, is alleen mogelijk indien we zouden aannemen dat alleen de schending van de onderzoeksplicht de schade heeft veroorzaakt en niet ook de schending van de mededelingsplicht, dan wel we op grond van de billijkheid álle schade voor rekening van de benadeelde zouden brengen. Beide oordelen zijn nauwelijks voorstelbaar, maar zekerheidshalve kan men aan het uitgangspunt dat de mededelingsplicht voorrang heeft boven de onderzoeksplicht de regel ontlenen dat het resultaat dat alle schade voor rekening blijft van een partij wiens wederpartij een mededelingsplicht heeft geschonden, niet is toegelaten. Daarnaast dunkt mij dat bedoeld uitgangspunt betekenis kan hebben bij de toepassing van de billijkheidscorrectie, in die zin dat de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten tot een andere verdeling kan leiden dan de maatstaf van de wederzijdse causaliteit. Voor de beoordeling van de ernst van de gemaakte fouten zijn echter alle omstandigheden van het geval van belang en niet slechts de kwalificatie van die fouten in termen van ‘onderzoeksplicht’ en ‘mededelingsplicht’.
nimmerin verband met eigen schuld mag worden verminderd. In dat geval klaagt het middel er terecht over dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, want een regel als door het hof bedoeld bestaat niet. Een dergelijke regel is ook ongewenst; ze schaadt de nuttige werking van de regel van art. 6:101 BW Pro, namelijk het nuanceren van aansprakelijkheid met het oog op onder meer het beginsel van evenredigheid (proportionaliteit).
3.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden