Conclusie
(hierna [verweerster] )
1.Feiten en procesverloop
telle qu’elle soit.Het convenant voorziet er niet in dat tegenvallende opbrengsten of waarderingen van de woning en van de vennootschap worden verrekend (13.8).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
alleste vergoeden wat hij uit hoofde van het arrest in de hoofdzaak aan [betrokkene] c.s. zal moeten betalen, maar in plaats daarvan tot hetgeen hij ter zake van de hoofdsom van € 70.000,— zal moeten betalen. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
onderdeel II.1(in de cassatiedagvaarding abusievelijk genummerd als I.1) betoogt [eiser] dat het hof art. 23 Rv Pro zou hebben geschonden door, kort gezegd, iets anders toe te wijzen dan door hem was gevorderd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
onderdeel 2richt [verweerster] zich tegen de rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12 van het hof. Ik citeer die overwegingen in het verband van de daaraan voorafgaande en erop volgende overwegingen:
onderdeel 2.aheeft het hof miskend dat [verweerster] zich in feitelijke aanleg uitdrukkelijk heeft beroepen op de partijbedoeling gelegen achter artikel 3.6 van het echtscheidingsconvenant en heeft het deze essentiële stelling onbesproken gelaten. Het onderdeel – afgezien van het hierna te bespreken onderdeel 2.b – klaagt er niet over dat het oordeel van het hof anderszins onbegrijpelijk is of op een onjuiste rechtsopvatting berust, maar dus uitsluitend over het beweerdelijk onbesproken laten van een essentiële stelling.
vraagprijs. Hieruit zou wellicht kunnen worden afgeleid dat partijen een koopprijs voor ogen stond die bij deze vraagprijs in de buurt lag. Maar zoals gezegd is een dergelijke stelling in de feitelijke instanties niet ingenomen.
in de hoofdzaakhoofdelijk aansprakelijk is en dat in die zaak niet alleen [verweerster] behoort te worden veroordeeld.
onderdeel 2.bgeen doel kan treffen. De stellingen van [verweerster] omtrent de partijbedoeling met artikel 3.6 van het convenant zijn wel degelijk door het hof besproken.
4.De op de hoofdzaak voortbouwende klachten
onderdeel I van het principaal beroepvan [eiser] eventueel een beperking is te lezen tot de gegrondbevinding van bepaalde onderdelen van het middel van [eiser] in de zaak met nummer 15/04494 (namelijk de middelonderdelen I.1 t/m 1.6 en II.1 t/m II.7, waarmee voorbij wordt gegaan aan de onderdelen III, IV en V). Voor een dergelijke beperking bestaat geen enkele aanleiding en ze moet voor een kennelijke vergissing worden gehouden. Zou daarover anders moeten worden geoordeeld, dan treft de voortbouwende klacht van
onderdeel 1 van het incidenteel beroepvan [verweerster] in ieder geval wel doel.
5.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden