ECLI:NL:PHR:2005:AT8246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorkeursrecht huurder bij verkoop manege en uitleg aanbiedingsplicht verhuurder
In deze zaak staat centraal het voorkeursrecht van een huurder op een manege, vastgelegd in een huurovereenkomst met een verhuurder die eigenaar is van de manege en aanhorigheden. De verhuurder verkocht de manege in combinatie met een woonhuis aan een derde partij, zonder de manege eerst aan de huurder aan te bieden. De huurder vorderde daarop nakoming van het voorkeursrecht en uiteindelijk verkoop en levering van de manege tegen een prijs gelijk aan de waarde in het economische verkeer.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verhuurder inderdaad een aanbiedingsplicht heeft op grond van het voorkeursrecht, maar dat dit niet leidt tot een verplichting tot verkoop en levering, mede omdat de manege niet los van het woonhuis werd verkocht. De huurder kon dus niet afdwingen dat de verhuurder de manege afzonderlijk zou verkopen tegen de prijs waarvoor het gehele complex aan de derde was verkocht.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat het voorkeursrecht een verbintenis tot aanbieding inhoudt, geen koopovereenkomst. De latere ontbinding van de koop met de derde doet aan deze verplichting niets af. Ook wijst de Hoge Raad het beroep van de huurder af dat hij recht zou hebben op sluiting van een koopovereenkomst op basis van het voorkeursrecht. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de minder verstrekkende vordering tot aanbieding niet ambtshalve kan worden toegewezen, omdat deze niet in de oorspronkelijke vordering besloten lag en de verhuurder dit ook zo mocht begrijpen.
Uitkomst: Het beroep van de huurder wordt verworpen; het voorkeursrecht leidt tot een aanbiedingsplicht, niet tot een verkoop- en leveringsplicht.