Conclusie
Artikel 1
2.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel Ivoert drie klachten aan en is gericht tegen de laatste volzin van rov. 45 van het eindarrest, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
tweede klachtis van processuele aard en heeft de meest vergaande strekking. De klacht voert aan dat het hof in rov. 45 buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en/of de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Volgens de klacht is door geen van de partijen, en met name niet door de vrouw, (in een grief) gevorderd of anderszins aangevoerd dat de lasten met betrekking tot de woning in de periode van onverdeeldheid uitsluitend door de man gedragen dienen te worden.
eerste klachtbetoogt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 3:169 BW Pro geen regeling inhoudt omtrent de kosten van gebruik en met name niet welke deelgenoot deze kosten dient te dragen. Volgens de klacht laten art. 3:172 BW Pro noch de redelijkheid en billijkheid het oordeel van het hof toe en is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd.
derde klachtbetoogt dat rov. 45 onbegrijpelijk is omdat, zoals feitelijk is komen vast te staan, de man niet in de woning verbleef of verblijft, en (dus) niet het uitsluitend gebruik van die woning had of heeft.