Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Het bestuur van de Stichting heeft besloten het thans met u bestaande recht van erfpacht, na ommekomst van de einddatum op 1 april 2021, niet meer opnieuw te verlengen. (…).
primairdat voor recht wordt verklaard
I.dat hij bij het eindigen van de erfpachtrechten recht heeft op een vergoeding voor de opstallen,
II.dat hij bij het einde van de erfpachtrechten recht heeft op verlenging daarvan, alsmede
III.dat hij bevoegd is de erfpachtrechten op te zeggen en alsdan recht heeft op een opstalvergoeding.
Subsidiairheeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat hij bij het eindigen van de erfpachtrechten recht heeft op een opstalvergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
grief 8van belang. [eiser] heeft daarmee betoogd dat het Rentambt met het doen van het aanbod tot koop van de bloot-eigendom misbruik maakt van zijn economische machtpositie in de zin van artikel 24 Mw Pro (MvG nr. 4.61). Hij heeft daartoe aangevoerd dat het Rentambt met betrekking tot zijn activiteiten ten aanzien van de percelen [A 001] en [A 003] te beschouwen is als ondernemer (MvG nr. 4.63), dat het Rentambt jegens [eiser] een economische machtspositie heeft doordat [eiser] de percelen [A 001] en [A 003] alleen van het Rentambt kan kopen (MvG nr. 4.64) en dat er sprake is van misbruik van die machtspositie doordat het Rentambt bij het aanbod een te hoge prijs hanteert (MvG nr. 4.65 e.v.). Zie ook pleitnota zijdens [eiser] d.d. 29 januari 2015, nrs. 24 e.v.
2.Bespreking van het cassatieberoep
“Het is ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie.”Hieruit volgt dat voor een geslaagd beroep op artikel 24 Mw Pro sprake moet zijn van (i) een onderneming, (ii) een economische machtspositie en (iii) misbruik. Uit artikel 150 Rv Pro vloeit voort dat de stelplicht en bewijslast ter zake rusten op de partij die zich op de inbreuk op artikel 24 Mw Pro beroept. [5]
“positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.” [10] Om te bepalen of sprake is van een economische machtspositie moet eerst de relevante markt worden afgebakend. Deze wordt bepaald door de productmarkt en de geografische markt. De vaststelling van de productmarkt en de geografische markt vindt plaats aan de hand van respectievelijk de substituten die er voor het product aanwezig zijn en het geografisch bereik van het product. Vervolgens moet worden bezien of op de relevante markt sprake is van een economische machtspositie. Daarvoor kunnen verschillende factoren relevant zijn, zoals het marktaandeel van de betrokken onderneming en dat van de andere spelers op de markt, de structuur en het gedrag van de onderneming en het bestaan van commerciële of technische voordelen dan wel toetredingsbarrières. [11]