ECLI:NL:PHR:2016:105
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep na teruggave inbeslaggenomen voorwerpen
De Rechtbank Amsterdam verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift tegen de beschikking omtrent de teruggave van een inbeslaggenomen iPhone 4s en een Packard Bell laptop. Het Openbaar Ministerie had zich niet verzet tegen de teruggave en deze vond plaats op 9 oktober 2014. Hierdoor werd het beslag beëindigd volgens art. 134, tweede lid, Sv.
Klager stelde cassatieberoep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren. De Hoge Raad oordeelde echter dat klager geen belang meer had bij het cassatieberoep nu de voorwerpen waren teruggegeven. Het belang dat klager aanvoerde, namelijk vergoeding van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, werd niet als voldoende rechtens beschermd belang erkend.
De Hoge Raad verwees naar vaste rechtspraak dat het beëindigen van het beslag het belang bij het beroep wegneemt. Ook wees de Hoge Raad op de mogelijkheid binnen het strafproces om kosten van rechtsbijstand te verhalen via art. 591 en Pro 591a Sv. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk en ging niet inhoudelijk in op de beslissing van de Rechtbank.
Voor klager resteert enkel de procedure op grond van art. 591a Sv voor vergoeding van kosten. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was derhalve gericht op niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het beëindigen van het beslag door teruggave van de voorwerpen.