ECLI:NL:PHR:2016:105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2016
Publicatiedatum
16 maart 2016
Zaaknummer
14/05418
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 134 SvArt. 80a ROArt. 591 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep na teruggave inbeslaggenomen voorwerpen

De Rechtbank Amsterdam verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift tegen de beschikking omtrent de teruggave van een inbeslaggenomen iPhone 4s en een Packard Bell laptop. Het Openbaar Ministerie had zich niet verzet tegen de teruggave en deze vond plaats op 9 oktober 2014. Hierdoor werd het beslag beëindigd volgens art. 134, tweede lid, Sv.

Klager stelde cassatieberoep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren. De Hoge Raad oordeelde echter dat klager geen belang meer had bij het cassatieberoep nu de voorwerpen waren teruggegeven. Het belang dat klager aanvoerde, namelijk vergoeding van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, werd niet als voldoende rechtens beschermd belang erkend.

De Hoge Raad verwees naar vaste rechtspraak dat het beëindigen van het beslag het belang bij het beroep wegneemt. Ook wees de Hoge Raad op de mogelijkheid binnen het strafproces om kosten van rechtsbijstand te verhalen via art. 591 en Pro 591a Sv. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk en ging niet inhoudelijk in op de beslissing van de Rechtbank.

Voor klager resteert enkel de procedure op grond van art. 591a Sv voor vergoeding van kosten. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was derhalve gericht op niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het beëindigen van het beslag door teruggave van de voorwerpen.

Conclusie

Nr. 14/05418 B
Mr. Harteveld
Zitting 5 januari 2016
Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 8 oktober 2014 de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen gsm (iPhone 4s, kleur wit) en een laptop (merk Packard Bell, kleur zwart).
2. Tegen deze beschikking is namens de klager cassatieberoep ingesteld. Mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de beslissing van de Rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van klager in diens klaagschrift onjuist is, aangezien de Rechtbank het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren.
4. Aan de beslissing van de Rechtbank heeft het volgende ten grondslag gelegen.
Bij de behandeling in raadkamer van 8 oktober 2014 heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager en dat er met de klager reeds een afspraak is gemaakt, te weten op de volgende dag, 9 oktober 2014, om tot de teruggave over te gaan. De Rechtbank heeft, na de klager en zijn raadsman alsmede de officier van justitie te hebben gehoord, terstond uitspraak gedaan en de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag nu (door het Openbaar Ministerie) is beslist tot de teruggave.
5. Uit de schriftuur valt af te leiden dat de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen inmiddels heeft plaatsgevonden. Ook uit namens mij bij het parket Amsterdam ingewonnen inlichtingen blijkt dat de inbeslaggenomen mobiele telefoon en de laptop op de afgesproken dag zijn teruggegeven aan ‘de eigenaar’. [1] Een en ander is voorts door de politie bevestigd. In een journaalmutatie, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] [2] , is vermeld dat de voornoemde voorwerpen op donderdag 9 oktober 2014 te 14.30 uur zijn teruggegeven aan de onderhavige klager, [klager]. Daarmee is het beslag beëindigd. Dat volgt uit art. 134, tweede lid en onder a, Sv. [3] Dit betekent dat de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de Rechtbank zodat hij daarin volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [4]
6. Ten overvloede merk ik naar aanleiding van het middel nog het volgende op Het is de beslissing van de Rechtbank om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in het beslag waar de steller van het middel over valt, terwijl in raadkamer de gegrondverklaring van het beklag was bepleit. In de toelichting op het middel wordt vervolgens het belang van het ingediende cassatiemiddel uitgelegd. De niet-ontvankelijkverklaring heeft aldus de steller van het middel tot gevolg dat de eigen bijdrage voor de via een toevoeging gefinancierde rechtsbijstand niet meer via de Raad voor Rechtsbijstand kan worden teruggevraagd. Een dergelijk gegeven levert echter naar mijn mening geen belang op dat door de cassatieprocedure van art. 552d Sv wordt beschermd. Daar komt bij dat – ook de steller van het middel beseft dat terdege - het strafproces een eigen mogelijkheid kent tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De artikelen 591, tweede en vijfde lid, in verbinding met art. 591a, tweede en vierde lid, Sv voorzien immers in de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van een raadsman voor het indienen van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv.
Volgens de steller van het middel betreft dat om diverse redenen een onzekere procedure. Maar dat levert evenmin een in mijn ogen beschermd belang in de huidige cassatieprocedure op.
7. De slotsom is dat met het eindigen van het beslag het cassatieberoep niet-ontvankelijk is waardoor niet meer toegekomen kan worden aan de inhoudelijke beoordeling van de beslissing van de Rechtbank. Er kan dus niet meer worden getoetst of de Rechtbank al dan niet terecht tot een niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beslag is gekomen. Derhalve resteert voor de klager thans enkel de procedure op de voet van art. 591a Sv. [5]
8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de door mij in het dossier gevoegde emailwisseling d.d. 3 december 2015 van [betrokkene], medewerker beslag bij het Parket Amsterdam, met als bijlagen printscreens uit het Konfisk systeem, waaruit volgt dat de voorwerpen zijn teruggegeven aan de eigenaar.
2.Als bijlage gevoegd bij het emailbericht van 7 december 2015, afkomstig van verbalisant [verbalisant] (eveneens door mij in het dossier gevoegd).
3.Vgl. o.m. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:2597 en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9841.
4.Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Achtste druk, p. 62.
5.Vgl. o.m. HR 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2191.