ECLI:NL:PHR:2016:1050

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
1 november 2016
Zaaknummer
15/04243
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SvArt. 36b SrArt. 434 lid 1 SvArt. 552f Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking onttrekking motorfiets wegens niet oproepen belanghebbende

De Rechtbank Gelderland heeft op 16 april 2015 een beschikking gegeven tot onttrekking aan het verkeer van een motorfiets die in beslag was genomen onder belanghebbende. Belanghebbende werd echter niet opgeroepen voor de raadkamerbehandeling van de vordering van de officier van justitie op 16 april 2015.

Volgens artikel 23 lid 2 Sv Pro had belanghebbende voor deze behandeling moeten worden opgeroepen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat een oproeping heeft plaatsgevonden, waardoor moet worden aangenomen dat dit verzuim heeft plaatsgevonden. Dit verzuim betreft een wezenlijke grondslag van de raadkamerprocedure en leidt tot nietigheid van het onderzoek.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, voor hernieuwde behandeling van de vordering. De conclusie van de Procureur-Generaal ondersteunt deze vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: De beschikking tot onttrekking van de motorfiets wordt vernietigd wegens het niet oproepen van belanghebbende en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Conclusie

Nr. 15/04243 B
Zitting: 13 september 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[belanghebbende = betrokkene]
De Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 16 april 2015, op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in de artt. 36b Sr en 552f Sv, de onttrekking aan het verkeer gelast van een onder de betrokkene inbeslaggenomen motorfiets.
Namens de betrokkene heeft mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de betrokkene ten onrechte niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de officier van justitie in raadkamer van 16 april 2015.
3.2. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de behandeling van de voornoemde vordering in raadkamer van 22 januari 2015 (bij welke behandeling de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman is verschenen) voor onbepaalde tijd geschorst, met een door de rechter gegeven bevel tot oproeping van de betrokkene en zijn raadsman tegen nader te bepalen zitting. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de betrokkene noch diens raadsman bij het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015 verschenen.
3.3. Art. 23 lid 2 Sv Pro brengt mee dat de betrokkene had moeten worden opgeroepen voor het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015. Nu uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro toegezonden stukken niet van zo een oproeping blijkt, moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit verzuim brengt nietigheid van het onderzoek mee (vgl. HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1023). Het middel slaagt.
4. Gelet op het vorenstaande behoeft het tweede middel, dat zich richt tegen de door de rechtbank gegeven last, geen afzonderlijke bespreking.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG