Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland waarbij onttrekking aan het verkeer van goederen onder de belanghebbende is gelast. De belanghebbende was niet bij de raadkamerprocedure aanwezig.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 23, tweede lid, Sv de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling had moeten worden opgeroepen. Uit de stukken blijkt niet dat deze oproeping heeft plaatsgevonden, waardoor dit verzuim een wezenlijke grondslag van de procedure raakt.
Dit leidt tot nietigheid van het onderzoek, ook al is dit niet expliciet in de wet genoemd. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling van de vordering.
De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. De raadsman van de belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op deze conclusie.
De Hoge Raad besluit dat het tweede middel geen bespreking behoeft en spreekt de vernietiging en terugwijzing uit.
Uitkomst: De beschikking is vernietigd wegens het niet oproepen van de belanghebbende en de zaak is terugverwezen voor herbehandeling.