Conclusie
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ais gericht tegen rov. 42 van de bestreden beschikking en betoogt in de kern dat het hof bij de vaststelling van de door de man verschuldigde partneralimentatie blijk heeft gegeven van miskenning van het bepaalde in art. 1:397 lid 1 BW Pro door bij de bepaling van de alimentatiebijdrage de draagkracht van de man te bruteren met het door het hof berekende voordeel fiscale aftrek inkomstenbelasting, althans dat het hof op dit punt geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Daartoe voert het onderdeel aan dat de Nederlandse belastingwetgeving in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat de man werknemer van EPO is. [4] De Nederlandse belastingwetgeving kan derhalve geen grond vormen voor het mede in aanmerking nemen van het voordeel fiscale aftrek in het kader van de draagkracht van de man voor de partneralimentatie. Het hof is daarmee ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden, nu tussen partijen onbestreden als uitgangspunt geldt dat de Nederlandse belastingwetgeving niet van toepassing is en daarmee samenhangend ook door de vrouw geen aanspraak is gemaakt op brutering van de vast te stellen bijdrage aan de hand van voordeel fiscale aftrek, aldus het onderdeel.
ex aequo et bono. Zo dit het geval mocht zijn, blijkt zulks niet uit de bestreden beschikking.
Onderdeel Bis gericht tegen rov. 32 en 42 van de bestreden beschikking. Het onderdeel klaagt in de kern dat het in rov. 32 vervatte oordeel van het hof dat het redelijk is om bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man de daadwerkelijke kosten van de kinderen geheel in aanmerking te nemen, en deze kosten – kort samengevat – ten laste te brengen van de draagkrachtruimte in plaats van ten laste van 45% van die draagkrachtruimte, onjuist is dan wel niet afdoende is gemotiveerd. In dat kader verwijst de man in het bijzonder naar zijn in hoger beroep aangevoerde grief 8, waarop het hof onvoldoende zou hebben gerespondeerd. [6]
NJ1986/545). De in genoemd rapport opgenomen normen zijn niet aan te merken als recht in de zin van art. 79 lid Pro 1, onder b, RO, over de schending waarvan in cassatie met vrucht kan worden geklaagd (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1988:ZC2559,
NJ1998/365).
NJ2007/563).