Conclusie
2.Juridisch kader
dezeschuldenaar verwijtbaar is [11] .
Van Gansewinkel/Autofocus Nederland [30] . Daarin werd een voor de verhuizing van het bedrijfspand gehuurde afvalcontainer gestolen van een niet afgesloten terrein van deze onderneming. De kantonrechter nam geen schuld aan, omdat de huurovereenkomst niet verplichtte tot afsluiting van het terrein, terwijl aard en functie van een afvalcontainer meebrachten dat deze zo dicht mogelijk bij de aanvankelijke locatie van het afval werd geplaatst (lang niet altijd op een afgesloten terrein), waarbij van belang werd geacht dat huurster geen rekening behoefde te houden met diefstal van een container van 30 kubieke meter, zodat haar geen verwijt kon worden gemaakt. De kantonrechter vond evenmin dat moest worden toegerekend naar verkeersopvattingen, gelet op de rechtsverhouding tussen partijen (een professionele verhuurder tegenover een weliswaar professionele partij, die evenwel niet als normale bedrijfsactiviteit had het huren van afvalcontainers) en de discrepantie tussen de huurpenningen en de waarde van de container.
Spruijt/Tigchelaar [37] . Mevrouw Spruijt had via haar vennootschap Wassenaar B.V. [38] . voor de duur van één dag een auto gehuurd van autoverhuurbedrijf Tigchelaar. Nog dezelfde dag werd de auto in België ontvreemd door een kennis van Spruijt (ene “G”) die als passagier met haar meereed en aan wie zij tijdens een stop de sleutels had gegeven omdat hij iets uit de auto wilde halen. Tevoren had deze kennis ongemerkt de autopapieren uit haar tas ontvreemd. De auto werd 57 dagen later beschadigd teruggevonden. Tigchelaar vorderde betaling van 57 huurdagen plus reparatiekosten. De huurovereenkomst bevatte geen toerekeningsbeding [39] . Anders dan de rechtbank wees het hof Spruijts beroep op overmacht af, omdat zij de autosleutels aan G ter beschikking had gesteld, waardoor het risico dat G zich de auto zou toe-eigenen naar het oordeel van het hof krachtens verkeersopvattingen voor haar rekening behoorde te komen. Uw Raad casseerde op dit punt en formuleerde deze toerekeningsvuistregel (rov. 3.4.3):
autonaar verkeersopvattingen in beginsel niet voor rekening van de huurder komt, wanneer de auto
voor betrekkelijk korte tijdis gehuurd van een
professionele verhuurder.
Spruijt/Tigchelaar, omdat Uw Raad de precieze invulling van de verkeersopvattingen en de daarop gegronde uitkomst van de zaak niet (voldoende) zou hebben gemotiveerd [40] , respectievelijk omdat de beslissing een apodictisch karakter zou hebben [41] . Memelink voert deze bezwaren terug tot het (overigens niet nieuwe [42] ) “kenbaarheidsprobleem”, het niet steeds evidente en onmiddellijk kenbare karakter van het ongeschreven recht, en adviseert rechtsonzekerheid te beperken door zo goed mogelijk te zoeken naar de kenbare verkeersopvatting, bij gebreke daarvan objectieve aanknopingspunten te gebruiken, en de concretisering van de verkeersopvatting grondig en rationeel te motiveren [43] .
Spruijt/Tigchelaarin de recente cassatierechtspraak is de zaak van de gehuurde en ontvreemde geluidsapparatuur van een DJ [44] , die ook laat zien dat het toepassingsbereik van het arrest niet beperkt is tot autoverhuur (en al helemaal niet tot autoverhuur aan consumenten [45] ). De DJ voerde aan dat schuld bij hem ontbrak, omdat bij de ontvreemding van de apparatuur sprake was geweest van “een opzetje” tussen voor de huurder onbekende derden. Het hof overwoog bij tussenarrest dat indien hij zou slagen in het bewijs daarvan inderdaad schuld ontbrak en
Spruijt/Tigchelaarin dat geval meebracht dat de tekortkoming ook niet krachtens verkeersopvattingen toerekenbaar was. Getuigenverhoren vonden plaats en het hof achtte de huurder in zijn bewijsopdracht geslaagd. In cassatie klaagde de verhuurder onder meer dat het hof ten onrechte
SpruijtTigchelaarhad toegepast omdat het daarin ging om een bekende derde, terwijl het bij de DJ ging om onbekende derden. A-G Rank-Berenschot meende in haar conclusie dat dit oordeel stand kon houden en Uw Raad deed de zaak vervolgens af met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Ik meen hieruit ten minste te mogen afleiden dat de vuistregel uit
Spruijt/Tigchelaarniet is beperkt tot autohuur en dat de verkeersopvattingen wat deze toerekeningssituatie betreft in 2013 ten opzichte van 1997 nog niet waren veranderd. Ik zie geen aanwijzingen daar nu drie jaar later anders over te denken.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
schuld(rov. 3.7.1 t/m 3.7.5; onderdeel 2) noch krachtens verkeersopvattingen (rov. 3.8.3 t/m 3.8.9; onderdeel 1) kan worden toegerekend, alsmede tegen de daarop voortbouwende oordelen en het dictum (onderdeel 3, een pure veegklacht). Overigens zijn de klachten uit onderdeel 1, althans die uit subonderdelen 1.3 en 1.4 ook gericht tegen de afwijzing van de
toerekening naar verkeersopvattingen, zo volgt uit het begin van onderdeel 2.
Oerlemans/Driesen [46] de rechtsregel volgt dat een tekortkoming in de regel aan de schuldenaar wordt toegerekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarvan het bestaan niet te snel mag worden aangenomen. In dat licht is volgens het onderdeel ten onrechte aansluiting gezocht bij
Spruijt/Tigchelaaromdat in die zaak
,anders dan in onze zaak, wél sprake was van bijzondere omstandigheden, namelijk het voor betrekkelijk korte tijd huren van een auto (die bijna altijd tegen diefstal verzekerd pleegt te zijn) door een consument van een professionele autoverhuurder.
subonderdeel 1.4klemt het voorgaande temeer/geldt dit althans, omdat het hof in rov. 3.8.7 in aanmerking heeft genomen de grote discrepantie tussen de geringe huurprijs en de potentieel aanzienlijke schade bij diefstal. Niet valt volgens de klacht in te zien waarom ondanks dit relatief geringe bedrag de tekortkoming niet toegerekend moet worden aan een professionele partij als [verweerster], die nu eenmaal verplicht was de rijplaten terug te geven, waarom [eiseres] [verweerster] op een diefstalrisico had moeten wijzen en het achterwege laten daarvan betekent dat het diefstalrisico op [eiseres] komt te rusten, omdat het hof niet alleen niet aangeeft dat [eiseres] meer dan [verweerster] rekening diende te houden met de diefstalmogelijkheid, maar ook van belang is dat [verweerster] nu eenmaal bekend hoort te zijn met zijn teruggaveplicht uit het huurcontract. Daarom, zo besluit de klacht, is ook niet van belang, laat staan mede beslissend, dat wanneer [eiseres] vooraf wel een dergelijke risicoverdeling had bedongen, [verweerster] had kunnen onderzoeken of er verzekeringsmogelijkheid was en van de huur had kunnen afzien.
schuldvan [verweerster] als onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Dat is al zo volgens de in onderdeel 1, althans in subonderdelen 1.3 en 1.4 aangegeven redenen, zo begint de klacht. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat [verweerster] (heeft gesteld dat zij) diefstalpreventiemaatregelen heeft getroffen (zij heeft bij MvA 20 het tegendeel aangegeven) en [verweerster] heeft niet aangegeven waarom die preventiemaatregelen niet mogelijk waren. De redenering in rov. 3.7.3-3.7.4 komt er volgens de klacht in de kern op neer dat [verweerster] geen schuld heeft aan de diefstal vanwege omstandigheden die aan [eiseres]’ schuld zijn te wijten, respectievelijk naar verkeersopvatting voor haar risico komen, maar deze redenen impliceren niet dat [verweerster] geen enkel verwijt (dus schuld) te maken zou zijn.
Spruijt/Tigchelaarrechtens aansluiting moet worden gezocht bij
Oerlemans/Driesenvoor de toerekeningsvraag in onze zaak. Zij zoeken tevergeefs steun in
Oerlemans/Driessenom het bestaan van een rechtsregel te verdedigen die inhoudt dat de toerekenbaarheid van een tekortkoming bestaande in het niet nakomen van de verplichting om het gehuurde terug te brengen in beginsel is gegeven, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. In het betreffende arrest, maar ook al eerder [47] , heeft Uw Raad juist benadrukt dat tekortkoming en toerekenbaarheid twee afzonderlijke elementen zijn en dat met het bestaan van een tekortkoming de toerekenbaarheid niet gegeven is [48] . In
Oerlemans/Driessenis door Uw Raad de vuistregel geformuleerd voor een heel ander type gevallen: op de verkoper van een industrieel (niet door hemzelf) vervaardigd product rust een risico-aansprakelijkheid voor verborgen gebreken, waarop slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering mogelijk is. Gelet op de bewoordingen uit het arrest is de portee van deze regel beperkt tot dat type gevallen en daar valt onze zaak niet onder. Het “tenzij” in art. 6:74 BW Pro brengt een stelplicht- en bewijslastrechtelijke regel tot uitdrukking (die in deze zaak geen rol speelt en daarom verder kan blijven rusten) en niet de regel dat de toerekenbaarheid mét de tekortkoming danwel het ontbreken van schuld is gegeven, zoals [eiseres] in cassatie ten onrechte verdedigt.
schuld. In die grief had [eiseres] betoogd (zie de in cassatie niet bestreden lezing van grief 1 in rov. 3.7.2) dat [verweerster] wel rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de rijplaten gestolen zouden worden en hekken om de rijplaten had moeten plaatsen of de rijplaten aan het eind van de werkdag had moeten opladen. Het hof heeft deze grief verworpen. De motivering van die volgens mij gemengd feitelijk-juridische beslissing van het hof in rov. 3.7.3 t/m 3.7.5 laat zich als volgt samenvatten:
Spruijt/Tigchelaarwaar het hof in onze zaak uitdrukkelijk naar verwijst, hiervoor geciteerd in 2.10, meen ik ook dat het in wezen in situaties als deze rechtens niet aanvaardbaar is om een huurder in een kortdurende huurrelatie aan het gevaar bloot te stellen dat hij onverzekerd zo’n groot, als onverantwoord aan te merken, risico gaat lopen en dat is de uiteindelijke achtergrond van de risico-analyse door de feitenrechters in onze zaak, naar mij wil voorkomen [51] .
Spruijt/Tigchelaarsprake was van een particuliere in plaats van professionele huurder en van huur voor bepaalde tijd in plaats van onbepaalde tijd in onze zaak (rov. 3.8.2);
Spruijt/Tigchelaaraangesloten door de kantonrechter vanwege de professionele hoedanigheid van huurder [verweerster], omdat de vuistregel uit dat arrest alleen professioneel verhuurderschap stipuleert, waarvan bij [eiseres] sprake is, en niets over de hoedanigheid van de huurder aangeeft (rov. 3.8.3); en
Spruijt/Tigchelaarniet te kunnen hanteren (rov. 3.8.5 en 3.8.6);
Spruijt/Tigchelaar. Dit een bekende rechtsvindingstechniek [55] die veel voorkomt in de feitenrechtspraak [56] . Dat is niet rechtens onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Daarop stranden subonderdelen 1.3 en 1.4, hetgeen ik nog kort uitwerk.
subonderdeel 1.3te worden stilgestaan. Voor zover de klacht aanhaakt bij subonderdelen 1.1 en 1.2 gaat deze niet op, omdat die voorafgaande onderdelen niet opgaan. Het subonderdeel scharniert om het ontbreken van diefstalpreventiemaatregelen door [verweerster], maar we zagen bij onderdeel 2 al dat het hof, gegeven de onvoorzienbaarheid van de diefstal, op dit punt niets hoefde vast te stellen, zodat het achterwege blijven van voorzorgsmaatregelen, anders dan subonderdeel 1.3. meent, niet leidt tot toerekening van [verweersters] tekortkoming krachtens verkeersopvattingen. Wanneer sprake is van onvoorzienbaarheid voor de maatman, is het verlangen van preventiemaatregelen voor zo’n redelijkerwijs niet te voorzien geval niet aan de orde en kan in het nalaten daarvan geen schending van de zorgplicht worden gezien. Ook kon het hof in het midden laten of in de branche gebruikelijk is dat diefstal voor rekening van de huurder komt, gelet op de motivering van het hof om dat gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval niet aan te nemen. Bovendien heeft [verweerster] de betreffende stelling van [eiseres] gemotiveerd bestreden (MvA 28). Het verschil met de situatie uit de hoofdhuurverhouding Aarnouds-[eiseres] heeft het hof in rov. 3.8.8 afdoende gemotiveerd. Nadere motivering was niet vereist om dit oordeel van het hof begrijpelijk te laten zijn, zodat ook het “ten vierde” uit subonderdeel 1.3 niet tot cassatie kan leiden.