ECLI:NL:PHR:2016:1083

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
8 november 2016
Zaaknummer
14/06110
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j SrArt. 14c lid 1 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens schending redelijke termijn bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte op 19 november 2014 voor poging tot diefstal met braak tot vier maanden gevangenisstraf en gelastte de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van eveneens vier maanden.

Verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing, waarbij het eerste middel betrof dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de voorwaardelijke straf werd tenuitvoergelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk op basis van het Uittreksel Justitiële Documentatie en de overtreding van de algemene voorwaarde uit art. 14c lid 1 Sr voldoende had gemotiveerd.

Het tweede middel betrof een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat het dossier pas ruim een jaar na het instellen van cassatie bij de Hoge Raad werd ontvangen. De Hoge Raad achtte deze termijnoverschrijding gegrond en besloot daarom de opgelegde straf te verminderen.

De Hoge Raad verwierp het eerste middel en wees het cassatieberoep voor het overige af, maar verminderde ambtshalve de straf wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens schending van de redelijke termijn, maar verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Conclusie

Nr. 14/06110
Mr. Machielse
Zitting 20 september 2016 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 19 november 2014 voor: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden gelast.
2. Mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. De Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel komt op tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Deze beslissing zou het hof ontoereikend gemotiveerd hebben. Het hof heeft immers niet de redenen opgegeven die tot deze beslissing hebben geleid.
3.2. Het dictum van het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:
"Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van, parketnummer 05-700660-11, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden."
3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2014 van de enkelvoudige kamer van het hof heeft het hof de korte inhoud onder meer van een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2014 medegedeeld. Dat uittreksel bevindt zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het uittreksel maakt melding van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2011 met parketnummer 05-700660-11, waarbij verdachte voor vermogensdelicten is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het uittreksel vermeldt dat de proeftijd is beginnen te lopen op 17 juli 2012 en duurde tot en met 16 juli 2015. Tussendoor is bij beslissing van 25 september 2013 de oorspronkelijke proeftijd met een jaar verlengd. Het hof heeft klaarblijkelijk acht geslagen op dit uittreksel.
3.4. Het lijdt geen twijfel dat het hof bevoegd was om te beslissen op de vordering tot tenuitvoerlegging, nu het hof verdachte heeft veroordeeld voor een feit dat is begaan voor het einde van deze proeftijd.
Dat het hof de tenuitvoerlegging heeft bevolen wegens overtreding van de in artikel 14c lid 1 onder a Sr genoemde algemene voorwaarde lijkt mij duidelijk. Immers, de rechter die zich over de beschuldiging van het nieuwe feit heeft moeten buigen, heeft ook de tenuitvoerlegging gelast. Ter terechtzitting is de eerdere, deels voorwaardelijke veroordeling, aan de orde geweest toen de korte inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie is genoemd. Vergelijking met de tijdsbepaling in de tenlastelegging van het nieuwe feit leert dat het nieuwe feit voor het einde van deze proeftijd is begaan. Voorts blijkt uit de veroordeling voor het nieuwe feit dat aan de algemene voorwaarde niet is voldaan. In de onderhavige zaak is dus sprake van een andere situatie dan in het door Bleichrodt genoemde HR 12 februari 1991, NJ 1991, 498. [1] De gegevens waarop het hof zich heeft gebaseerd bij zijn beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging liggen voor de hand.
Voorts wijs ik erop dat de Hoge Raad aan de motivering van de beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging geen hoge eisen stelt. In 2014 heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of de volgende motivering van een tenuitvoerlegging toereikend was:
"Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 5 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast."
De Hoge Raad overwoog dat het hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft gemotiveerd door vast te stellen dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd. Aldus is voldaan aan de motiveringseis van het eerste lid van artikel 14j Sr. [2] Dat verdachte in de onderhavige zaak voor het einde van de proeftijd de algemene voorwaarde heeft geschonden is in feitelijke aanleg nooit bestreden. Naar mijn mening kan dit middel daarom worden verworpen omdat verdachte daarbij geen belang heeft.
4.1. Het tweede middel klaagt over een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 19 november 2014 ingesteld, maar het dossier is eerst op 16 december 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. De in het middel genoemde data zijn correct. Tussen het instellen van het cassatieberoep en het ontvangen van de stukken ter griffie zijn een jaar en 27 dagen verlopen, waardoor de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendtermijn niet is gehaald. Zulks dient te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is gegrond, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot een vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Mr. F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, Deventer 1996, p. 167.
2.HR 7 oktober 2014, ECLI:2014:2956. In gelijke zin HR 26 januari 2010, ECLI:2010:BK5582.