Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd en de tenuitvoerlegging daarvan bevolen, maar heeft de beslissing omtrent de tenuitvoerlegging niet voorzien van de vereiste motivering zoals voorgeschreven in artikel 14j, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Daarnaast klaagt de verdachte terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde straf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het gaat om de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de duur van de straf. De straf wordt verminderd tot drie maanden en drie weken gevangenisstraf. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beslissing omtrent de tenuitvoerlegging. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de tenuitvoerlegging en vermindert de straf tot drie maanden en drie weken gevangenisstraf.