Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
alleomstandigheden van het geval een
realistischeinschatting moest maken van het inkomen dat de man met zijn onderneming
redelijkerwijsmoet kunnen verdienen, en daarvoor een afdoende
motiveringmoest geven. In een situatie als de onderhavige waarin de man weinig invloed heeft op de marktomstandigheden, ook weinig invloed heeft op de winst die in een jaar in redelijkheid kan worden behaald, en waarbij de omzet om die reden sterk fluctueert, kan volgens het middel niet worden volstaan met een gemiddelde winst uit onderneming over negen jaren, wanneer de uitkomst daarvan, te weten € 51.425,-, sterk afwijkt van de winsten die over de meest recente jaren 2012 t/m 2014 zijn vastgesteld, te weten respectievelijk € 10.699,-, € 8.095,- en € 35.174,-, neerkomend op een gemiddelde winst van € 17.989,33.
2014is uitgegaan van een winst van € 51.425,- per jaar terwijl de man de winst uit onderneming voor 2014 onbetwist heeft begroot op € 35.174,- (rov. 3.8), kan evenmin tot cassatie leiden. Het hof diende bij het vaststellen van de draagkracht van de man immers niet alleen acht te slaan op de inkomsten die hij zich feitelijk verwierf maar ook op de inkomsten die hij zich in redelijkheid kon verwerven. De inkomsten die de man zich in redelijkheid kon verwerven heeft het hof in rov. 3.9.3 vastgesteld aan de hand van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2006 t/m 2014. Dat deze gemiddelde winst van € 51.425,- per jaar hoger uitvalt dan de voor 2014 begrote winst van € 35.174,- doet niet af aan de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het hof met betrekking tot de draagkrachtberekening van de man.
klachten 2.1.4-II en 2.1.4-IIIhebben betrekking op de overweging van het hof in rov. 3.9.3, inhoudende dat, door in dit geval voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2006 t/m 2014, ‘
eventuele correcties op de winst worden gecompenseerd’en ‘
ook de verkoop van de dakkapellen op deze wijze in de gemiddelde winst is verwerkt.’
klacht 2.1.4-Vheeft het hof miskend dat de man met de door het hof vastgestelde alimentatieverplichting ad € 2.663,- onder 90% van het bestaansminimum komt, althans heeft het een op dit punt onbegrijpelijke beslissing gegeven. Met deze klacht zoekt het middel kennelijk aansluiting bij vaste rechtspraak waaruit volgt dat vaststelling van een onderhoudsbijdrage niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en in ieder geval niet tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. [6]
klacht 2.1.4-Ven deelt het lot daarvan.
onder nr. 2.3.2) heeft geen zelfstandige betekenis.