ECLI:NL:PHR:2016:1091

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
8 november 2016
Zaaknummer
14/05793
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 427 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-ontvankelijkheid en persoonsverwisseling in hoger beroep

In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal, waarbij sprake is van een complexe persoonsverwisseling. De Hoge Raad constateert dat het hof ten onrechte een persoon die zich van de naam van de verdachte bedient niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl deze persoon niet de verdachte is op wiens naam het vonnis is gewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten onderzoeken of de verschenen raadsman daadwerkelijk de belangenbehartiger was van de verdachte op wiens naam het vonnis stond. Tevens wijst de Hoge Raad op het lopende onderzoek naar de identiteit van de verdachte, waardoor het in de rede lag om de uitspraak aan te houden.

Gelet op deze omstandigheden vernietigt de Hoge Raad het arrest van 5 november 2014 en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting. Het beroep tegen het arrest van 16 september 2014 wordt verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat de tenuitvoerlegging van straffen slechts mag plaatsvinden ten aanzien van de verdachte op wiens naam het vonnis staat.

Uitkomst: Het arrest van 5 november 2014 wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 14/05793
Zitting: 13 september 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
N.N. zich noemende [A]
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 16 september 2014 de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard en, nadat opnieuw is gedagvaard, “N.N. zich noemende [A] ” op 5 november 2014 bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op grond van het in art. 416, tweede lid, Sv bepaalde.
Tegen beide beslissingen is op respectievelijk 19 november 2014 en 15 december 2014 beroep in cassatie ingesteld.
Namens [A] hebben mr. G.A. Jansen en Th. O. Dieben (LL.B, LL.M), beiden advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld tegen het arrest van 5 november 2014 en een middel tegen het arrest van 16 september 2014. Nu het arrest van 5 november 2014 op naam staat van “N.N., zich noemende [A] ” en blijkens de inhoud van de cassatieakte het cassatieberoep is ingesteld namens [A] kan [A] in het beroep worden ontvangen. [1]
4. Gelet op het hierna volgende kondig ik alvast aan een praktische oplossing te zoeken voor wat dreigt een gebed zonder eind te worden.
5. Een arrest op naam van [A] is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. Na terugwijzing van die (andere) zaak naar het Hof Amsterdam bij arrest van de Hoge Raad op 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6741 is de zaak weer aan de Hoge Raad voorgelegd. [2] Dat heeft geleid tot HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552. Aan die zaak is voorafgegaan een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 5 juni 2008. [3] De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 30 augustus 2013 wederom vernietigd aangezien het gelet op ’s hofs motivering in de rede lag om een onderzoek naar een identiteitsonderzoek af te wachten. Blijkens de inleidende beschouwingen in de schriftuur loopt dat onderzoek nog en is die zaak derhalve nog aanhangig bij het hof. [4]
6. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken meen ik te mogen opmaken dat degene die zich van de naam van [A] bedient werd bijgestaan door mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam die de verdediging blijkens het proces-verbaal van 5 november 2014 heeft neergelegd en niet is verschenen. [5]
7. Blijkens datzelfde proces-verbaal van 5 november 2014 is kennelijk verschenen mr. Th.O. Dieben [6] (ook gelet op het schrijven aan het Hof van 4 november 2014 waarin deze raadsman zijn komst aankondigt). Daaruit meen ik te kunnen afleiden dat deze raadsman kennelijk de “echte” [A] bijstaat, degene op wiens naam het arrest is gewezen.
8. Omdat mr. Dieben blijkens het proces-verbaal van de zitting “niet is opgeroepen en deswege geen procespartij is” heeft hij niet de beweegredenen kunnen geven omtrent zijn komst naar de zittingszaal, is verstek verleend en is “de verdachte” niet-ontvankelijk verklaard.
9. Dan nu mijn bevindingen ten aanzien van de middelen. Ik behandel eerst de middelen die zijn gericht tegen de beslissing van 5 november 2014.
10. Het
tweede middelklaagt dat over het oordeel van het hof dat de verschenen mr. Dieben “niet is opgeroepen en deswege geen procespartij is”. Dat oordeel van het hof lijkt mij getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Procespartijen moeten in het algemeen worden opgeroepen maar als dat is verzuimd, vervalt de status van procespartij niet zonder meer. Het hof had, gelet op de naamsverwarring, moeten onderzoeken of deze raadsman moest worden aangemerkt als de belangenbehartiger van degene op wiens naam het vonnis (mede) was gewezen. Het middel slaagt.
11. Het
derde middelklaagt over de niet-ontvankelijkheidverklaring ex art. 416, tweede lid, Sv.
12. Gelet op de voorgeschiedenis waaronder de persoonsverwisselingsproblematiek en het schrijven van mr. Dieben van 4 november 2016, daags voor de zitting aan het hof is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat “niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang.” Dat bij hetzelfde hof kennelijk thans nog onderzoek plaatsvindt naar de identiteit van “ [A] ” maakt dat het mij het meest praktisch lijkt dat ook in deze zaak vernietiging en terugwijzing volgt, nu het in de rede had gelegen dat het hof (ambtshalve) het resultaat van het onderzoek had afgewacht. Indien zou worden vastgesteld dat het vonnis ten onrechte op de naam van [A] staat en dat het bewezenverklaarde door een ander is begaan dan [A] dient het hof degene die is gedagvaard vrij te spreken. Ook dit middel slaagt.
13. Gelet op het slagen van het tweede en derde middel behoeft het eerste middel geen bespreking.
14. Het middel tegen het arrest van het hof van 16 september 2014 richt zich tegen de daarbij uitgesproken nietigverklaring van de appeldagvaarding. Ik ben van oordeel dat deze klacht belang ontbeert, nu de vervolging is voortgezet op een nieuwe appeldagvaarding en de tegen de uitkomst daarvan gerichte klachten in cassatie kunnen worden besproken en, wat mij betreft, deels gegrond zijn. Het middel kan aldus niet tot cassatie leiden.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van 16 september 2014 en tot vernietiging van de uitspraak van 5 november 2014 en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik sluit mij aan bij hetgeen mijn ambtgenoot Hofstee over de ontvankelijkheid heeft opgemerkt in zijn conclusie vóór HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552.
2.De conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee is door mr. Dieben bij zijn schrijven van 4 november 2014 naar het hof gezonden en maakt onderdeel uit van het dossier.
3.In de zaak die thans aan de Hoge Raad voorligt is voorafgegaan een vonnis van de Rechtbank Noord-Holland, toevallig ook van 5 juni, maar dan van het jaar 2013.
4.Inlichtingen ingewonnen bij het ressortsparket door mijn medewerker van het Wetenschappelijk Bureau eind mei en begin september 2016 leren dat het onderzoek nog loopt. Die zaak heeft bij het hof als nieuw rolnummer 2300-4986-14 gekregen.
5.Ik word in die mening gesterkt omdat deze raadsman, als belangenbehartiger van iemand die zich van deze naam bedient, in de andere procedure heeft gevraagd om niet-ontvankelijkverklaring van zijn cliënt in het hoger beroep - terwijl het gaat om een veroordelend vonnis tot vier jaren gevangenisstraf - waar door toedoen van de raadsman van “de echte” [A] een streep door is gehaald. Zoals gezegd casseerde de Hoge Raad.
6.Abusievelijk aangeduid als mr. Van Diepen.