Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
buitenlandsediplomaten en hun gezinsleden in Nederland zijn niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen en andersom zijn
Nederlandsediplomaten en hun gezinsleden in het buitenland (wel) verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. In beide gevallen is afgezien van de voorwaarde dat de gezinsleden een buitenlandse c.q. de Nederlandse nationaliteit moeten bezitten, om te voorkomen dat echtelieden onderling verschillende sociale verzekeringsposities innemen.
nietaan te sluiten. Ook de (inmiddels vervangen) EU-Verordening 1408/71 verplichtte Nederland niet tot verzekering. Deze verordening coördineert slechts, maar verplicht in beginsel niet tot verzekering, zoals uit onder meer het arrest
Evans [3] van het HvJ EU blijkt. Nederland mag bij de bepaling wie al dan niet aangesloten worden niet handelen in strijd met (primair) EU-recht, met name niet met het vrije personenverkeer, maar de belanghebbende wordt niet anders behandeld vanwege haar nationaliteit of haar grensoverschrijding, maar vanwege het zijn van gezinslid van een verplicht vrijgestelde buitenlandse diplomaat.
Nederlandsrecht, nl. door het KB 164.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
179/13 in plaats van naar C-
197/13).
3.Het geding in cassatie
nietde voorrechten en immuniteiten ex de artt. 29 tot en met 36 van dat verdrag; zij was met name
nietvrijgesteld van de Nederlandse sociale verzekeringsvoorschriften.
vreemdemogendheden uit te sluiten van sociale verzekering in Nederland, zoals verwerving van aanrekenbare AOW-tijdvakken. Het KB 164 heeft zeker niet ten doel
eigenonderdanen te beperken in verwerving van aanrekenbare AOW-tijdvakken. De CRvB is niet ingegaan op het door de belanghebbende aangevoerde art. 2 KB Pro 164 dat de kring van verzekerden uitbreidt. Zij meent dat zij niet behoort tot de groep diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers van hun staten als bedoeld in art. 2 KB Pro 164.
ongehuwd met een buitenlandse diplomaat samenwoont in Nederland. Zij acht het geval van HR BNB 2014/92 waarop de CRvB afgaat (r.o. 4.10.2 en 4.10.3) niet vergelijkbaar met haar geval. Dat geval betrof de Nederlandse inwonende dochter van een Nederlandse die werkte bij het
International Criminal Tribunal for Rwanda(ICTR) en het
International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia(ICTY), waardoor de desbetreffende zetelovereenkomsten met de Verenigde Naties voor haar en haar kinderen golden, die de
United Nations Staff Regulations and Rulesop hen van toepassing verklaarden. Op de belanghebbende zijn dergelijke zetelovereenkomsten of UN Staff Regulations überhaupt niet van toepassing.
4.Regelgeving
Algemene Ouderdomswet
1999(KB
764) [9] bepaalt:
United Nations Conference on Diplomatic Intercourse and Immunitiesvan 2 maart tot en met 14 april 1961 te Wenen, waar het concept voor het Verdrag van Wenen 1961 werd besproken, heeft de Iraakse delegatie ter zake van het boven geciteerde art. 37(1) Verdrag opgemerkt dat het reeds een regel van internationaal gewoonterecht was dat landen over hun eigen onderdanen soevereine rechtsmacht hebben en dat precies om die reden de uitzondering voor onderdanen in art. 37(1) Verdrag van Wenen 1961 is opgenomen. [12]
5.Jurisprudentie
International Criminal Tribunal for Rwanda(ICTR) en vanaf 7 oktober 2002 als lid van de administratieve en technische staf bij het
International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia(ICTY). De moeder nam op grond van die werkzaamheden deel in het pensioenfonds van de Verenigde Naties. Als kind van een medewerker van deze tribunalen bouwde de belanghebbende geen recht op ouderdomspensioen op bij dit pensioenfonds. De SVB meende dat zij niet verzekerd was voor de AOW vanwege art. 6(3) AOW jo. art. 14(3) KB 764 (inzake volkenrechtelijke organisaties), [17] de ICTR-zetelovereenkomst [18] en de ICTY-zetelovereenkomst. [19] De belanghebbende meende wél verzekerd te zijn, al dan niet op grond van het discriminatieverbod. U overwoog dat u ondanks de beperkte cassatiemogelijkheden (zie 4.2 hierboven) kon beoordelen welke invloed op belanghebbendes verzekeringsplicht werd uitgeoefend door de ICTR-zetelovereenkomst, de ICTY-zetelovereenkomst, internationale regelingen die discriminatie verbieden en art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (Art. 1 EP Pro). U oordeelde vervolgens dat de ICTR- en de ICTY-zetelovereenkomsten in alle opzichten uitsluiting van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland tot gevolg hebben (zowel van premieheffing als van uitkeringsrecht), zodat de belanghebbende was uitgesloten van de kring der verzekerden voor de AOW:
Evans [20] voor het Hof van Justitie van de EU betrof een Brits onderdaan in dienst van het consulaat-generaal van de Verenigde Staten te Amsterdam. Zij had een geprivilegieerde status uit hoofde waarvan zij was vrijgesteld van onder meer sociale zekerheidspremies en weshalve niet bij het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel was aangesloten. Het Hof van Justitie overwoog over de werkingssfeer van Vo. 1408/71 als volgt:
6.Literatuur
7.Behandeling van de middelen
United Nations Conference on Diplomatic Intercourse and Immunitiesvan 2 maart tot en met 14 april 1961 te Wenen [26] en daarop is geen wijziging meer aangebracht. De Iraakse delegatie heeft tijdens de
Conferencewel opgemerkt (zie 4.16 hierboven) dat volgens internationaal gewoonterecht al gold dat landen over hun eigen onderdanen soevereine rechtsmacht behouden en dat art. 37(1) Verdrag van Wenen 1961 die regel codificeert. Ook Denza merkt op (zie 6.2 hierboven) dat de onderdanen van een ontvangststaat – in afwijking van de hoofdregel van art. 33(1) juncto art. 37(1) Verdrag van Wenen 1961 dat diplomaten en hun gezinsleden vrijgesteld zijn van de in de ontvangstsstaat geldende voorschriften van sociale verzekering – aangewezen zijn op hetgeen de sociale zekerheidswetgeving van de ontvangststaat bepaalt.
buitenlandsediplomaten en hun gezinsleden in Nederland bepaalt art. 11(1) KB 164 dat zij niet verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Andersom bepaalt art. 2(1) KB 164 juncto art. 7(1) en (2) Reglement Dienst Buitenlandse Zaken voor
Nederlandsediplomaten en hun gezinsleden in het buitenland dat zij (wel) zijn verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. In beide gevallen is afgezien van de voorwaarde dat de gezinsleden een buitenlandse c.q. de Nederlandse nationaliteit moeten bezitten, zulks om te voorkomen dat de echtelieden onderling verschillende sociale verzekeringsposities innemen. De Nederlandse regeling is aldus intern consistent, maakt geen onderscheid naar nationaliteit en evenmin tussen inkomende zendingen en uitgaande diplomatieke zendingen. Nederland acht steeds de zendstaat verantwoordelijk en neemt als zendstaat die verantwoordelijkheid ook. Als de belanghebbende daardoor niet verzekerd is, lijkt mij dat een gevolg van een dispariteit (Duitsland heeft dan kennelijk een andere regeling) of van een parallelle
niet-uitoefening van jurisdictie (negatief jurisdictieconflict). Nederland is niet verplicht zijn regeling aan te passen aan die van een andere Staat.
niette onderwerpen; het verbiedt Nederland juist helemaal niets met betrekking tot onderdanen; het laat onderwerping of niet-onderwerping juist volledig over aan de soevereiniteit van de nationaliteitsstaat (behoudens wellicht misbruik van nationaal recht door de ontvangststaat om daarmee het functioneren van de diplomaat te hinderen).
Evansen de daarin genoemde eerdere jurisprudentie blijkt, is het bij gebrek aan harmonisatie op EU-niveau in beginsel aan elke lidstaat om te bepalen onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij zijn stelsel van sociale zekerheid bestaat. Nederland mag bij die bepaling niet handelen in strijd met (primair) EU-recht, met name niet met het vrije personenverkeer, maar de belanghebbende wordt niet anders behandeld vanwege haar nationaliteit of haar grensoverschrijding, maar vanwege het zijn van gezinslid van een verplicht vrijgestelde buitenlandse diplomaat.
Nederlandsrecht van Nederlandse sociale verzekering uitgesloten; nl. door het KB 164.
wide margin of appreciation) niet aan de orde, nu wij aan die discriminatieverboden niet toekomen. Het gaat om toetsing aan art. 1 Grondwet Pro en aan het ongeschreven algemene gelijkheidsbeginsel.
Anker [31] (het moet gaan om overheidsfuncties die inhouden “deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag” en “werkzaamheden (…) strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat” en die “bij de betrokken functionaris een bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat veronderstellen”) lijkt mij dat diplomaten daar onder vallen. Ook als dat anders zou zijn (en als de belanghebbende zich als gezinslid van een vrijgestelde diplomaat rechtstreeks - op grond van HvJ EU
Bernini [32] - zou kunnen beroepen op art. 7(2) van die Verordening), wordt zij mijns inziens door Nederland niet anders dan nationale werknemers behandeld op grond van haar nationaliteit of grensoverschrijding, maar op grond van haar gezinslidmaatschap van een vrijgestelde diplomaat. Haar nationaliteit doet juist niet ter zake.
ongehuwd met een buitenlandse diplomaat in Nederland in gezinsverband samenwonende levenspartner. Zie de in 4.8 geciteerde toelichting op art. 11 KB Pro 164.